Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 19-03-2023

het afleggen

betekenis & definitie

1. (18e eeuw) (euf.) sterven. Verkorting van 'het leven afleggen'. Vandaar ook: opgeven, bezwijken. Uitdrukking ontleend aan de bijbel (Johannes X:17).

• Hy heeft het afgelegt. Verstaat daar onder het leven, en daar mede de lasten en moeyelykheden van dit traanendal. 2 Pet. 1: 14. Men zegt ook: Hy is naar de oudvaders gegaan. Ezech. 26: 20. Hy is ter zielen. Hy is overleden, dat is hy is voorby gegaan. Ziet de Fakkel, bladz. 269. (Carolus Tuinman: De oorsprong en uitleg van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal. Deel II. 1727)
• En heb je de ouwe Sillevis gekend? Nou, die heeft het afgeleege. 'k Most nog drie stuivers van 'm hebben... (Bernard Canter: Twee weken bedelaar. 1900)
• Nou niet kotse, Stefie, anders leg je het af. (Piet Bakker: Branding. 1940)
• ‘Leggen jullie 't allemaal af,’ wenste de kok met een gezicht of er maden uit-kropen. (Jan Mens: Er wacht een haven. 1950)
• Man, je legt het af in die nicotinewalm. Weet je wat jij moet doen? De stad in! (Johnny van Doorn: Langzame wals. 1986)
• (Riemer Reinsma: Verklarend synoniemenwoordenboek. 1988)
• (Ed van Eden: Deltas groot spreekwoordenboek. 1989)

2. (19e eeuw) (stud. vero.) zijn studies niet afmaken. Zie ook: aflegger (2)*. Tegenwoordig ook: zich bezatten.

• Weet je wel, dat W. O. het ook aflegt? … De theologische Professoren weigeren hem het testimonium van goed gedrag voor zijn Proponents. Nu zal zijne promotie ook wel in den steek... (Johannes Kneppelhout: Studententypen. 1841)
• En de school in Leiden was al ad patres een paar jaar nadat ik weg was van de Delftsche instelling. Wat was ik toen blij dat die Leidenaars 't afgelegd hadden, en op hun pedante neus mochten kijken. En nu!.... (Tjeerd Flappuith: Toen ik Indisch student was. 1902)
• .... ... als speciale studententermen opgeeft: „een stuk in hebben, nest, sjou-wen, het land hebben, bluf slaan, het afleggen, een standje, kletsen... (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel I. De sociologische struc-tuur der Nederlandsche taal. 1913)
• (Wim Daniëls: Vet! Jongerentaal nu en vroeger. 2004)

< >