(19e eeuw) (meestal meerv.) (Antwerpen, inf.) gendarme.
• Harenmuts, znw. , v. Fig. Gendarm. De harenmutsen zijn daar. Zoogauw as de dieven de harenmutsen zagen, zetten zij 'et op e loopen. (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. 1900)
• Van de vroege ochtend stonden alle poorten der stad bezet met ‘harenmutsen’ -de scheldnaam voor gendarmen- maar konden ze niet beletten dat de arbeiders, zowel socialisten als liberalen, in lichte drommen naar de zaal Concordia stroomden. (Louis Paul Boon: Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. 1971)