Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 02-08-2020

harembroek

betekenis & definitie

(1910) (spot.) poffige lange broek, waarvan de pijpen onderaan ingebonden zijn. Lijkt wat op de bloomer.

• Er werden rijmpjes gezongen bij avond in het donker en Trui van Zwarte Bet, met Scheele Mie gaven gemoedereerde voorstellingen van het toekomstige echtelijk leven tusschen een vent-met-apen-mazelen van.... zeventig en een wijf met de harembroek van drie kruisjes. (Is. Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 1. 1912)
• Bij de kranen zit een klein meisje van een jaar of vier haar haar te wassen, in een harembroek, smerig, maar mooi wild. Een broertje, drie jaar, speelt in het gootje; de moeder in harembroek,... (Tirade. 1967)
• Ze had een jumpertje aan en zo'n harembroek. (Jeroen Brouwers: Het is niets. 1993)
• Bij het golfspel hoorde vroeger een 'golfbroek', een ruime broek die onder de knie om het been sloot en evenals de pofbroek gepoft afhing. Drollige namen ervoor zijn 'drollenvanger', 'hbs-luier' en 'harembroek'. (Frans Debrabandere: Wat woorden weten. 2000)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.