Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 23-07-2020

gruttenbuik

betekenis & definitie

(19e eeuw) (Leiden) weesjongen. Vgl. grutteneter: een matroos die voortdurend grutten (gekookte rijst) voorgeschoteld krijgt.

• (Kinder-courant. 1854)
• Vuile gore pappens, kakmadam, loeder, lendeka, gruttebuik. Je kan wel hore dat je er een bent van de natte flors. (Wout Bodrij: Een stem uit de achterbuurt. 1980)