(17e eeuw, vero.) Amsterdamse jonge vrouwen van voorname afkomst (die aan de grachtzijde wonen). O.A. bij Vondel.
• Grachtjuffers, strooit nu leliën, strooit rozen… (Joost van den Vondel: Jeptha, of offerbelofte. Koning David hersteld. Faëton, of roekeloze stoutheid. 1659)
• Grachtjuffers: Amsterdamse dames (Vondel). (Jan Stroop: Burgerlijk Amsterdams. In: Honderd jaar stadstaal. 1999)