Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 12-06-2022

grachtjuffers

betekenis & definitie

(17e eeuw, vero.) Amsterdamse jonge vrouwen van voorname afkomst (die aan de grachtzijde wonen). O.A. bij Vondel.

• Grachtjuffers, strooit nu leliën, strooit rozen… (Joost van den Vondel: Jeptha, of offerbelofte. Koning David hersteld. Faëton, of roekeloze stoutheid. 1659)
• Grachtjuffers: Amsterdamse dames (Vondel). (Jan Stroop: Burgerlijk Amsterdams. In: Honderd jaar stadstaal. 1999)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.