Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 20-07-2020

gouden

betekenis & definitie

(1982) (inf.) goed, leuk: 'een gouden kerel' enz. Kijk ook onder goud*.

• Van Rossum, een AOWer, Is secretaris-penningmeester. Een gouwe kerel. (Het Parool, 25/09/1982)
• Ik zeg tegen hem: joh, verkoop die dure plaatsen toch. Wil-ie niks van weten. Een paar. handenvol goeie vrienden, relaties op de eerste rijen — dat is óók publiciteit. Gouwe kerel, die Leen.'. (Het vrije volk, 10/10/1984)
• „Ik vind het een gouwe kerel", zegt Jan Lagrand. De nieuwe voorzitter houdt zich afzijdig van het binnenbrandje op het technische vlak en de kennelijk haperende communicatie. (De Telegraaf, 29/08/1994)
• ‘Gouwe gozer, dat neefje van mij,’ zei Bert met een rokende sigaarstomp tussen zijn tanden. (Cindy Hoetmer: Schop me! 2007)