(17e eeuw) (euf.) goed in het vlees; corpulent, zwaarlijvig. Woorden zoals ‘vet’ en ‘dik’ zijn natuurlijk taboe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook op dit gebied allerlei eufemismen goed scoren. Het Frans blijkt een goede inspiratiebron (corpulent; embonpoint*) maar er zijn ook goede Nederlandse alternatieven zoals buikje. Voor vrouwen en kinderen die mollig en rond zijn gebruikt men wel eens het adjectief poezelig. Engelssprekenden gebruiken het eufemisme ‘portly’.
• Zy is taamlyk mooi, een brunet, groot en gezet. (Wolff & Deken: Historie van Mejuffouw Sara Burgerhart. 1784)
• Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte Daan! (N. Beets: Camera Obscura. 1839)
• Dat zou zijn een bleke man, een beetje gezet, met zijn scheiding réchts. (Jan van Ees: Wat krijgen we nou? 1954)
• Terwijl de verslaggevers een plaatsje zochten aan de tafeltjes, klopte hij driftig op een zijdeur, en vrijwel direct stapte Tollens naar buiten, gevolgd door een stevig, nogal gezet meisje in een rood mantelpak. (Rinus Ferdinandusse: En het hoofd werd op tafel gezet. Een redelijk vrolijk familie-verhaal. 1970)
• Goed, ik mag dan wat gezet zijn (en daarom heb ik zo'n hekel aan dikke vrouwen) ik ben geloof ik wel wat je een knappe jongen noemt. (Ab Visser: De chanteur en andere misdaadverhalen. 1970)
• Lichaamspositiviteitsactivisten pleiten vaak wel voor het gebruik van de term ‘dik’. Zij stellen dat eufemismen of verkapte termen als ‘mollig’, ‘gezet’, ‘rond’, ‘gezellig’ of ‘voluptuous’ juist extra nadruk op de lichaamsvorm leggen en een onnodig ongemak en schaamte uitstralen. (Mounir Samuel: Je mag ook niets meer zeggen. Een nieuwe taal voor een nieuwe tijd. 2023)