(19e eeuw) (Ned.) muntstuk dat beschouwd wordt als een symbool van geluk; soort amulet waarmee je schatrijk kan worden. Bekend geworden door de verhalen van Donald Duck, waar het in handen is van de steenrijke zakenmagnaat Dagobert Duck (een creatie uit 1947 van de Amerikaanse striptekenaar Carl Barks, 1901-2000). Het woord ‘geluksdubbeltje’ bestond in het Nederlands al veel langer. Volgens het volksgeloof brengt een gevonden muntstuk (van tien cent) geluk. Traditioneel werd zo'n geluksdubbeltje bewaard in de portemonnee of onder de matras. Anderzijds kennen we de spreekwijze 'wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje': wie arm is geboren, zal waarschijnlijk ook arm blijven en nooit financieel en maatschappelijk opklimmen.
• Vraagt uw Bijoutier of Juwelier ’t Geluksdubbeltje of Gelukscent de zekerste Talisman. (advertentie in Algemeen Handelsblad, 03/05/1898)
• Hoor eens, lui, dat wordt een kapitale mop, en wij verdienen een vaatje bier bovendien. Ik heb namelijk, terwijl jelui zat te kakelen, den „groene" ongemerkt zijn zakdoek met 't geluksdubbeltje gerold. (Haagsche courant, 15/09/1902)
• En toen de man van den speelgoedwinkel mij zag, fluisterde ik hem toe: Geef haar maar de mooiste tol, die je hebt,, want zie je niet, wat een prachtig dubbeltje ik ben? Ik ben een geluksdubbeltje! (Tilburgsche courant, 18/01/1927)
• „Kom kleintje, huil toch zo niet," zei de gulden weer, „Wij moeten ons lot nu eenmaal dragen, zoals het ons gegeven wordt. Wie weet, keren straks de kansen, en word je weer als geluksdubbeltje behandeld." (De Sumatra post, 06/11/1937)
• De mevrouw frommelde in haar tasje en legde een dubbeltje op tafel. „Een lege beurs brengt ongeluk, lachte ze, „doe dit gelüksdubbeltje er maar in.” (Nijmeegsch dagblad, 13/10/1956)
• Het einde van de vakantie is in zicht; voor velen betekent dit een opwindend en toch onzeker gevoel van de eerste dag op school, voor de ander: Heb ik werkelijk goed gekozen met die baan en voor een derde: De onzekerheid van geen toekomst te hebben. Daarom het onderwerp van deze Alledagkerk: „Je moet het geluksdubbeltje maar bezitten". (Amigoe di Curacao: weekblad voor de Curacaosche eilanden, 05/08/1975)
• Veel mensen die nooit zullen toegeven dat ze bijgelovig zijn, bewaren — net als Dagobert Duck zijn geluksdubbeltje — zorgvuldig hun geluksmuntje, terwijl vele duizenden anderen in de hele wereld dagelijks in bepaalde fonteinen muntjes werpen in de hoop dat daardoor het geluk hun zal toelachen. (Algemeen Dagblad, 17/12/1983)
• Als een eigentijdse reïncarnatie van Kwik, Kwek en Kwak jongleren ze met de factor creativiteit, in een poging om oom Dagobert van zijn geluksdubbeltje te beroven. (Het Parool, 08/11/1989)
• De ontknoping past wonderwel in de ontwikkelingen zoals die zich dit seizoen in de eerste klasse C hebben afgespeeld. Lange tijd leek GVW oppermachtig, maar een dal in de prestatiecurve deed het geluksdubbeltje op zijn kant belanden. (Trouw, 23/05/1991)
• Dit moet het uitgangspunt zijn voor een weerwoord aan Andriessen. Wim Kok zal zijn geluksdubbeltje niet vinden in een lagere btw. (Het Parool, 18/04/1992)
• In de eerste set gaven beide spelers geen enkele servicegame uit handen. Het geluksdubbeltje rolde in de tiebreak naar Eltingh toe. (Nieuwsblad van het Noorden, 16/02/1994)
• Twee schooiertjes vochten op de stoep voor zijn deur om een geluksdubbeltje dat ze net gevonden hadden. (Geerten Meijsing: Tussen mes en keel. 2001)
• Donald wordt nooit verliefd op een ander dan Katrien, Midas wordt geen vegetariër en Dagobert Duck geeft zijn geluksdubbeltje nooit weg. (Trouw, 28/01/2009)
• Het kan niet anders of de beroemde eend heeft zijn sporen nagelaten in het Nederlands. En inderdaad. In de grote Van Dale vinden we donaldduckstem (‘heliumstem’), geluksdubbeltje (‘dubbeltje dat men koestert omdat het geluk zou brengen, oorspr. van de stripfiguur Dagobert Duck, die daarmee zijn fortuin vergaarde’) en williewortelbedrijf (‘klein, jong bedrijf dat zich richt op technische innovaties; genoemd naar de uitvinder Willie Wortel in de Disney-stripboeken over Donald Duck’). (Onze Taal. Jaargang 81. 2012)
• Je kunt je al afvragen of de vrekkige Dagobert Duck wel zo haatbaar is. Die eend heeft het ook niet makkelijk: met gemaskerde criminelen die zijn geldpakhuis willen leegzuigen, met een heks die op zijn geluksdubbeltje aast en met een potverterende neef. (De Morgen, 17/12/2014)
• Kijk, daar heb je de zware jongens, en ja, ze zijn op jacht naar Oom Dagoberts geluksdubbeltje, maar driedubbele WTF nog aan toe: die Zware Jongens hebben opeens een zus! (De Volkskrant, 13/07/2019)
• Beschamend lang heb ik in de veronderstelling verkeerd dat 'biljoen' alleen een Duckstads begrip was, net als 'geldpakhuis' en 'geluksdubbeltje'. (De Volkskrant, 19/01/2022)