Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 06-03-2023

geldjesdag

betekenis & definitie

(1836) (vnl. Zaanstreek) dag waarop men zijn loon ontvangt. Vgl. Sint* Salarius.

• Ik wil wel geen bedelaar heeten, maar moet u toch vragen wanneer het geldjesdag wezen zal. (Margaretha Jacoba de Neufville: Elisabeth Basmooth, of eene Engelsche plant op Hollandschen bodem. Deel 1. 1836)
• Geldjesdag. Dag, waarop men zijn loon, tractement ontvangt. (Lijst van Zaansche woorden. In: Noord en Zuid. Jaargang 3. 1880)
• Die rooie zuipt de heele gracht leeg, riep smalend een maat die nevens hem werkte en 'n poot van zijn paard omhoog heesch.
Ja jonge, het mot wel... morgen geldjesdag! (Gerard van Hulzen: De ontredderden. Tweede bundel. 1908)
• Z.M. was effectief lekker, dat we hem zoo uit de penurie hielpen, want hij klopte me op men schouder en zei: - Toon, dat zal ik onthouwen en zoodra 't weer geldjesdag voor me is, stuur ik je een postwissel. Jij zal dan wel met je maat afrekenen. (Justus van Maurik: Stille menschen. 1909)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.