1) (1904) (Barg.) gearresteerd. Syn.: geschaakt*.
• Geschaakt of geknipt: opgebracht. (A. Aletrino: Handleiding bij de studie der crimineele anthropologie. 1904, woordenlijst achteraan)
• Geknipt, aangehouden. (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• Als de knaap, die nu geknipt is, kotsen wil, kan alles in een paar uur in orde zijn. (Maurits Dekker: Amsterdam. 1931)
• Geknipt, gevat, gesnapt, gepakt. (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• Geknipt, (Barg.) gepakt, aangehouden. (Fokko Bos: De vreemde woorden. Derde druk. 1955)
2) (1911) (Vlaanderen, euf.) zwanger.
• Ze is geknipt (A. en Brab.). Ze is getikt (Brugge) (Alfons de Cock: Spreekwoorden en zegswijzen over vrouwen, de liefde en het huwelijk. 1911)