1) (19e eeuw) (euf.) godverdomme. Een initiaalwoord wordt hier gebruikt om een zelfvervloeking te omzeilen.
• In die krant uitte hij „ses grandes colères et ses grandes joies”, zijn woest geraas of zijn breeden schaterlach, gepeperd met vloeken, ses b.... et ses f...., zijn g-v-d-mes, wier eindelooze herhaling een gevoel van zeeziekte opwekt. (H.P.G. Quack: De socialisten..1875)
• Wel gévédé! Jij bent een best merk, hoor! Ik moet gévédé, van jou wat hebben! Je bent me een raar broekie! (P.A. Daum: Uit de suiker in de tabak. 1885)
• Hij zou mij, g.v.d.! leeren wien ik vóór had.... feitelijke insubordinatie.... krijgsraad.... op zijn minst vijf jaar.... morgen op het rapport bij den detachements- commandant, en de rest van de reis in het cachot, in plaats van in de tweede klas, waar ik g.v.d.! niet thuis hoorde. (Alexander Cohen: In opstand. 1932)
• Tot op eens een der onzen, een later bekend geworden kamerlid, die even als Betje Wolff, niet van vijgenbladen hield en ze ook niet voor den mond nam en die vlak onder den katheder zat, zijn dikke ellebogen met een harden bonk op de tafel liet smakken met een luid GVD. Dat was een argument op den man af en ons allen uit het hart gegrepen. (Aegidius W. Timmerman: Tim’s herinneringen. 1938)
• Jong is ook de afkorting g. v.d. Ook de afkorting en het gedeeltelijk door puntjes weergeven zijn euphemistische middelen… (A.A. Verdenius: In de Nederlandse taaltuin: wandelingen en waarnemingen. 1944)
• Daar heb je gvd. een tante voor. (Simon Vestdijk: Het glinsterend pantser. 1957)
• Alles kan, g.v.d. Hè, lekker vloeken, lekker in je eentje vloeken. (Simon Vestdijk: Meneer Visser’s hellevaart. 1964)
• ‘En zorg anders dat het gvd loopt,’ zei Marco. (Rinus Ferdinandusse: En het hoofd werd op tafel gezet. Een redelijk vrolijk familie-verhaal. 1970)
• Zeg dan gvd dat je vergeten hebt een begroting op te stellen. (Gerrit Krol: Scheve levens. 1983)
• … en kapitein U. keek toe - tot hij mijn naam riep, met de toevoeging dat ik g.v.d. moest ophouden de boel te verzieken. (Gerrit Krol: De oudste jongen. 1998)
• Charlie vloekte nog harder. 'We moeten ze gvd zelf dragen,' schreeuwde hij. (Rinus Ferdinandusse & Thomas Ross: De mannen van de maandagochtend. 2003)
• Ik heb gvd drie weken lopen dubben over die string. (Heleen van Royen: Godin van de jacht. 2003)
• Finn zei gvd maar hij was niet grappig zoals zijn vader. (Auke Hulst: Jij en ik en alles daartussenin. 2006)
• Maar wel een troel naar huis brengen, terwijl je gvd. langs het raam van Paté bent gelopen waar ik achter zat? (Mensje van Keulen: Alle dagen laat. Dagboek 1976. 2006)
• ‘Bel me gvd zsm,’ stond er in de eerste sms die ik opende. (Peter Buwalda: Bonita Avenue. 2010)
• Ik had moeten zeggen: nokken met dat gezanik, denk aan die vloerverwarming, en je moet geeveedee leren luisteren, bitch. (Bert Natter: Hoe staat het met de liefde? 2012)
• Ik krijg gvd die hele site niet aan de praat. (Menno Pot: Vak 127. 2014)
• Ik weet nog dat mijn moeder overstuur thuiskwam. “Gvd, we hangen!” riep ze uit. (Raoul Serrée: De Wallen in de jaren '60. Verhalen van prostituees, penoze en de postbode. 2015)
2) (1946) (plat) lichaam. Syn.: bobberd*; body*; broeder* Ezel; carrosserie*; donderement*; eierkorf*; flikker*; karkas*; lazer*; machine*; mieter*; pochel*; pokkel*; raap*; rabbes*; tabberd*; tabernakel*; verdommenis*; vleeshuis*; zemelkist*; zielement*.
• En maak nou maar vlug de spanken anders zal ik een emmer bout en majem over je g.v.d. gooien! (H. van Aalst: Onder martieners en bietsers. 1946)
• Verleden week hebben we een pelopper (scheldwoord voor een Indonesiër) door zn g.v.d. geschoten. (De waarheid, 28/01/1947)