Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 21-06-2020

fik

betekenis & definitie

(1920-1946) (inf.) brand. 'in de fik'. Zie ook fikkie*.

• Dat halve huisie stond in de fik. (Piet Bakker: Cis de Man. 1946)
• Revolutie moet er komen, de hele boel in de fik! (Jan Mens: Er wacht een haven, 1950)
• Hij heeft alle flodders uit de kamer gehaald, was zeker bang dat-ie in de lucht zou vliegen als-ie ze in de fik gooide. (Jan de Hartog: Ratten op de trap. 1952)
• Hij zei, dat wij God toch vooral meer moesten gehoorzamen dan de mensen, en dat wij ons wel twee keer mochten bedenken voor wij bevelen gehoorzaamden en onze stens leegschoten en voor wij een kampong in de fik staken. (J.B. Charles: Volg het spoor terug. 1953)
• ... de achterbuurten van het East End stonden in de fik... (Meyser Sluyser: Daar zaten wij: impressies over 'London '40-'45'. 1965)
• En wat als hij met z'n lamme vlerk ongemak kreeg met het kacheltje en de boel ging in de fik en hij zelf er bij. (Theun de Vries: W.A.-man, 1967)
• Hoe komt die auto in de fik, zeg? (Willy van der Heide: Dick Boei en de Bermbandieten. 1968)
• „Wie voor de duivel heeft die kampong in de fik gestoken?" vroeg de sergeant. (Jacob Zwaan: Soldaat in Indië. 1969)
• Kijk uit! Het karton vliegt in de fik! (Bert Hiddema: Scheuren in het asfalt. 1985)
• ‘In de fik steken die handel,’ zei de timmerman. (Adriaan van Dis: Dubbelliefde: geschiedenis van een jongeman. 1999)
• Mijn tent staat in de fik! Here Jezus nog an toe! Mijn ouwedag staat in de hens! (Pepijn Lanen: Sjeumig. 2013)
• ‘Er is een bommenwerper neergestort. Achter het Sportfondsenbad!’
‘Een enorme fik!’ (Marjan Berk: Madonnakindje. 2014)