Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 21-06-2020

fiedel

betekenis & definitie

(18e eeuw) (< Hoogduits Fiedel) (inf.) viool. Zie ook: zoiets heb ik nog nooit op de fiedel horen spelen.

• Daar duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z'n fiedel op de proppen... (Johan Fabricius: De scheepsjongens van Bontekoe. 1924)
De saxofoon zong schallend de wanhoop van zijn holle vreugde uit, een fiedel jubelde hysterisch.... (De Gids. 1933)
• Riedel met de fiedel : wie heeft dat door de zaal geroepen? (Theun de Vries: Een spook waart door Europa. 1948)