(1952) (< Eng.) (cliché) volkswijsheid dat iemand aan de top van een organisatie vaak eenzamer is dan mensen met een lagere positie. Bij ons werd deze uitdrukking populair (vooral in de showbusiness) dankzij het nummer ‘Lonely at the top’ (uit 1972) van de Amerikaanse zanger Randy Newman.
• De prestaties van dit Noorse fenomeen op de schaats — Europees- en wereldkampioen in 1950 en 1951 — waren in de maand januari zó uitzonderlijk goed, dat hij eenzaam aan de top staat. (Het Parool, 31/01/1952)
• Veertig maal Amsterdam - Moskou! Eenzaam aan de top - in alles een Kreidler. (De Kampioen, april 1968)
• Want water is nooit wat het schijnt. Ondanks de zeer eenvoudige enkelvoudige struktuur neemt het de meest diverse gestalten aan: ‘Er ging een wereld voor haar (Robinson) open. Stukje bij beetje werd daar voor de klas een samenhang ontvouwd, een eenvoud die zijn gelijke niet vond: ze nam de struktuur van de watermolecule getrouw over, als de gelijkbenige driehoek met de twee waterstofatomen aan de basis en het zuurstofatoom eenzaam aan de top (...) (Ons Erfdeel. Jaargang 19. 1976)
• Een first-folio Shakespeare brengt enkele tonnen op; second-, third- and fourth-folio Shakespeares altijd nog enkele tienduizenden guldens. Nu weet ik best, dat deze Engelsman eenzaam aan de top staat en beschikt over een potentieel lezerspubliek en een aantal verzamelaars dat honderd maal groter is dan in het geval van onze eigen Vondel, maar niettemin. (De Boekenwereld. Jaargang 2. 1985-1986)
• Deze gigant, die eenzaam aan de top staat bij het fabriceren van professionele calculators, printers, computers, laptops en servers, heeft altijd een 'luxe imago' gekend. (Bjorn Heisterkamp: De topmanager speelt 4-4-2. 2011)
• Het is eenzaam aan de top. Actieve politici zijn vaak op reis in binnen en buitenland, weg van hun huis en gezin. (Jaap van Ginneken: Verleidingen aan de top: De psychologie van de macht. 2021)