Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 08-06-2020

drammen

betekenis & definitie

(14e eeuw) (inf.) zeuren; zaniken; dreinen. Oorspronkelijk van kinderen gezegd, die maar blijven herhalen tot ze hun zin krijgen. Variant van het gewestelijke 'dremmen'. Een versterking is 'doordrammen'.

• Hij weet van geen naar huis gaan en als hij is opgestaan tot vertrek, staat hij minstens een kwartier aan de deur te „ziegezagen” en te „drammen”, zooals Vader zegt. (W.H. Heuvel: Oud-Achterhoeksch Boerenleven. Het geheele jaar rond. 2de dr. Deventer, z.j. 1928)
• (W. Draaijer: Woordenboekje van het Deventersch dialect. Tweede druk. 1936)
• (Marco Bunge: Politiek Woordenboek. 1985)
• Ze drammen maar door met hun goede raad en levenswijsheid. (Henk Verhaeren: Zee. 1992)
• Twee jaar geleden hebben ze staan drammen dat ik moest lopen met zo’n rekje. (Yvonne Keuls: Meneer en mevrouw zijn gek. 1992)