Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 08-06-2020

doorzopen

betekenis & definitie

(1903) (inf.) erg dronken. Vgl. doorsnoven*.

• Ouë Gerrit doorzopen als 'n druipende schooier, z'n baard en lokken omzogen en harig-vastgeplakt op z'n groengrauw bleeke kop, was na krankzinnige uitrazing, en vloek tegen God, sidderend stil en bochelend-gekromd tegen stormhoozen in, z'n huis ingestapt. (Israël Querido: Menschenwee. 1903)
• Die doorzopen thrillerproducent gaat er een lap op geven, welkom in de testosteronclub. (Bent Goorman: Loser de luxe. 2011)

< >