(1926) (< Hebr. mora, bangheid) (Barg.) doodsbang.
• Sara Rot, was voor ons een mysterie, tot op beden nog niet opgelost, maar dat wij, zelfs de brutaalsten onder ons, doodsbemore voor haar waren, dat is zeker! (De vrijdagavond, joodsch weekblad. Jaargang 3, 20/08/1926)
• (Jan Oudenaarden: De terugkeer van Opoe Herfst. 1986) p. 40
Gepubliceerd op 08-06-2020
doodsbemore
betekenis & definitie