(19e eeuw) (stud.) iemand die groenen* plaagt of dondert*.
• Ge herinnert u weer, hoe ge, pas van de schoolbanken ontslagen, nog groen en onbeholpen aanklopte aan de eerste studentenkamer, die ge met zooveel eerbied zijt binnengetreden. Wanneer ge om u heen ziet, herkent ge misschien nog den beroemden donderaar uit uw dagen, dien ge u plechtig hadt voorgenomen na uw groentijd to negeeren, en met wien ge toch door zulke innige banden van vriendschap zijt verbonden geraakt. (Algemeen Handelsblad, 20/06/1882)
• De groen, als er plaats is, zit op den grond, de beenen gekruist, en tegenover hem op een stoel of een tafeltje de “donderaar”. (Recht voor allen, 03/11/1891)
• Wij herinneren ons dat in 1906 te Leiden een jongmensch, groen, overleed aan de gevolgen van een trap tegen het onderlijf, hem toegebracht door een zwaar beschonken student, een bekend „donderaar." Dit heerschap werd toen tot gevangenisstraf veroordeeld. Sindsdien ging het ontgroenen kalmer in zijn werk en hielden de senaten streng toezicht bij ‘t donderjolen". (Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 07/11/1911)
• Niet immer waren de groenen de meest belachelijke wezens, de komische figuur was ook dikwijls de donderaar, die normaliter veelal een prul was, doch in September een hooge borst opzette, pedant pronkte met goed onthouden geestigheden, een geleerdheid en degelijkheid ten toon spreidde, waar zijn collega's zich om vermaakten en alleen de onnoozele groen hoog tegen op zag. (A.C.J. de Vrankrijker: Vier eeuwen Nederlandsch studentenleven. 1939)