Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 01-06-2020

2020-06-01

ding

betekenis & definitie

1) (1980+) (jeugd; inf.) interesse; datgene waar je goed in bent. Vooral in de uitdrukking 'zijn ding doen': doen waar men zin in heeft, zijn eigen verlangens volgen. Vooral gezegd m.b.t. popmuzikanten. Een vertaling van de Engelse hippieleuze: ‘to do one’s thing’.

De Slumbers doen gewoon hun ding en ze doen het goed. (Fabiola, september 1987)
• Iemand moet gewoon op de juiste plaats zitten en zijn ding doen. (Oor, 11/03/1989)
• Een acteur moet zijn ding doen. Punt. (de Volkskrant, 12/05/1995)
• .... maar voor de rest lieten we Keyzer zijn ding doen en wij deden het onze. (De Gids. Jaargang 159. 1996)
• Hiphop is altijd mijn ding gebleven. (Humo, 02/02/1999)
• Ook ik ben niet meer de jongste
Toch doe ik nog steeds m'n ding
Kijk hoe ik speel met een bandje
In hetzelfde tentje
En ik bas en ik zing. (Doe Maar: Alles doet 't nog. 2000)
• Hippie is nooit mijn ding geweest. Ik kom uit de soulmuziek voort. (Kitty de Leeuw e.a.: Jong 1950-2000. Gepubl. 2000)
• 1:30: De grote zaal stroomt half leeg als DJ Lady Aida haar ding doet. (het Parool, 11/11/2002)
• En in die praatkring doe je wekelijks je ‘ding’. (Ann Ceuvels: Geweer. 2011)
• We gaan een groep van het bevriende FC Dordrecht versterken. Deze Dordse groep doet zijn ding in de eerste divisie. (Yoeri Kievits: Rotterdam Hooligan. Leven met en sterven voor Feyenoord. 2012)

2) (18e eeuw) (euf.) mannelijk lid. Vaak in de verkleinvorm. Heestermans (1980) citeert 'De Openhertige Juffrouw, of de ontdekte geveinstheid' (ca. 1769). 'Zijn ding achternalopen': erg op seks gericht zijn.

• Maak dat jog zijn broekie maar los, dan kan ik even naar zijn dingetje zien. (Meyer Sluyser: Die en die is er nóg ... : een reportage over een voltooid verleden tijd. 1951)
• Van reeds heel wat buurjongetjes en schoolvriendjes en zo zag ik reeds hun dingetje. (Louis Paul Boon: Mieke Maaike’s obscene jeugd. 1972)
• ‘Hij haalde dat ding uit zijn broek, hè Eulchen,’ zei ik en wees op mijn gulp. (Louis Ferron: Het stierenoffer. 1975)
• En mijn steeds stijver wordend ding heen en weer drijvend, riep ik de andere toe: ‘Kijk, zo had ik jou willen nemen, was je wat menselijker geweest.’ (Louis Paul Boon: Memoires van de heer Daegeman. 1975)
• Hij zag dat de man een ding had met van die donkere aders eroverheen en een slappe, uithangende zak. (Hans Sahar: Hoezo bloedmooi.1995)
• Als je bijvoorbeeld naar het vuurwerk ging kijken moest je altijd opletten dat er niet een man vlak achter je stond, want het griezelige was dat je er niets van merkte terwijl ze met dat extra ding bezig waren en voor je het wist had je een kind. (Ida Simons: Een dwaze maagd. 1959. Heruitgave 2014)
• Als dokter Simons dit zag, zou hij denken dat ik nu met mijn aansteker je ding wou verbranden. (Hugo Claus: Omtrent Deedee. 1963)
• Op een keer liet hij me z'n dingetje zien. (Johan Fabricius: Voorrijden, mevrouw. 1969)
• Ja hoor, juf, Attie laat ze dingetje zien. (Haring Arie: Recht voor z’n Raap. 1972)
• Gefrommel onder de jurk? Pompen? Vergeet het maar.... Hare Majesteit wilde niets met je dinges te maken hebben. (Ben Borgart: Buiten schot. 1975)
• En als dat apparaat in het donker optekent, dat je dingetje omhoog gaat, dan mag je weer naar huis. (Gerard Reve: Oud en eenzaam. 1978)
• …. ook al heeft hij me tussen zijn blote benen gehouden en zijn ding in mijn mond geduwd. (Rudi van Dantzig: Voor een verloren soldaat. 1986)
• ‘Speelgoed? Waar spelen orthodoxe jongens van zestien mee, Robbie?’
‘Net als wij. Met hun dingetje.’ (Leon de Winter: SuperTex. 1991)
• Koud thuis ontdekte hij een klein knobbeltje op de stam van z’n ding. (Jan Eilander: Altijd te laat. 1992)
• ‘Ik heb eens twee kerels een uur lang horen lullen over de Prikkel. “Hoe hou je de Prikkel in stand?” Dat bespraken ze zeer uitvoerig. Het ging eigenlijk alleen maar over hun orgaan, hoe ze het overeind konden houden. ’t Scheen een probleem voor ze te zijn. Alles geconcentreerd op hun ding. (Marjan Berk: Traangas. 1992)
• Hardhandig duw ik haar hoofd en hand van me af, beschaamd frommel ik mijn ding in mijn kleding. (Frans Pointl: De hospita’s. 1996)
• Speel je nooit met dat ding tussen je benen? (Ton van Reen: Brandende mannen. 1997)
• Een man met een rode baard neemt de serveerster van achteren, terwijl een andere man zijn ding in haar mond stopt. (Heleen van Royen: De gelukkige huisvrouw. 2000)
• Hij streelde haar borsten en keek naar Alex’ ding dat in haar bewoog… (Oek de Jong: Hokwerda’s kind. 2002)
• In het urinoir van de luchthaven zie ik een man overdreven bezig met het uitdruppelritueel. Zijn lichaamstaal zegt: ‘Kijk mij eens met mijn ding.’ (Ivan Wolffers: Heimwee naar de lust. 2007. Derde druk)
• En toen legde Wim uit dat hij een bal tegen zijn… ‘dingetje’ had gehad en dat de gymleraar toen had gezegd dat het heel pijn kan doen, zo’n bal tegen je potloodje. (Theodor Holman: Holman liegt. 2014)
• Mannelijke swingers vragen zich zeker in het begin af of hun dingetje niet te licht zal uitvallen. (Charlie Hédo: Swingen is geen partnerruil. 2015)
• Ook Laurens trok zijn broek uit en wiebelde zijn slappe ding heen en weer. (Lize Spit: Het smelt. 2016)
• Mijn dingetje was vaak een bron van leedvermaak. Dat hield niet vanzelf op toen ik het in mijn broek doen liet voor wat het was. (Charlie Hedo: Hoe mijn ledemaat mijn lidmaat werd en Vice Versa. 2016)
• Hij nam meteen de hand van de jongen vast, stopte die in zijn broek en beval Toussaint om “zyn dynckxen” te betasten. (Wannes Dupont e.a.: Verzwegen verlangen. Een geschiedenis van homoseksualiteit in België. 2017)
• Dat kreeg je er dus van. Van dat aanklooien met meisjes. Van die wilde behoefte om in zo veel mogelijk vrouwen je zaad achter te laten, ook al had dit exemplaar hem dan bevolen een afvalzakje om zijn ding te doen. (Peter Drehmanns: Van de wereld. 2018)
• Op één foto zat een vrouw op haar knieën voor een man. Hij was ook naakt, zijn ding vol in beeld. (Judith Visser: Zondagskind. 2018)
• “Klootzak,” zei pa tegen hem toen Aan hem over de zwangerschap vertelde. “Had je dat ding niet in je broek kunnen houden?” (Anita Terpstra: Het huis vol. 2018)
• Slikte hij soms stiekem Viagra? Bleef zijn ding daarom zo lang hard, was dat de reden dat hij niet leegliep? (Maan Leo: De tussenpersoon. 2018)
• De ene man kan al wat beter met een uitblijvend orgasme om dan de andere. Hoewel de meesten er erg rustig onder blijven, zijn er kerels die vreselijk gefrustreerd raken en zelfs agressief worden. Ik werd al uitgescholden, geknepen en beplast omdat hun ding niet werkte. (Sigrid Schellen: Hoerenchance. 2019)

3) (17e eeuw) (inf.) aantrekkelijk meisje: 'lekker ding': Reeds in het werk van Jacob Cats aangetroffen. Tegenwoordig ook van toepassing op een sexy man.

• -Was dat nou de juffrouw?
- Ja. Hoe von'-je ze? Een lekker ding, hè? (Op den naaiwinkel. (fragment uit 'Van alle Tijden.') door Aug. P. van Groeningen. In: De Nieuwe Taalgids. Vierde Jaargang. 1889)
• Jong moet ze zijn, verrukkelijk jong, dat blonde ding uit Schermerhorn, die fijne Pinksterblom! (Jan Mens: Goud onder golven. 1943)
• En ja hoor, later zag ik hem met dat blonde ding van de bakker lopen. (Jan Wolkers: Een roos van vlees. 1963)
• Iedere keer als hij een van de stewardessen in het oog kreeg, zei hij: ‘Dat is ook een leuk dingetje.’ (Jan Wolkers: De kus. 1977)
• Als een vrouw iemand een 'lekker ding' noemt wordt er om haar heen nog altijd een beetje geschrokken. (Lydia Rood: Zij haar zin. 1996)
• Toen het nieuws van Camperts weigering gisteren bekend werd, moest ik ook aan zijn schepping drs. Mallebrootje denken, en natuurlijk aan het blonde ding uit diens achterban. (Martin Bril: Hollandse luchten. 2000)
• (Lex Reelick, Cor Swanenberg, drs. Erwin Verzandvoort & Michel Wouters: Bosch woordenboek. 2009)
• Ik heb de werkster al de deur uitgedaan. Werker bedoel ik, een enorm lekker ding uit Somalië. (Sylvia Witteman: De huisvrouwmonologen. 2013)
• Dixi! Lekker ding, hoe is het! (Lisette Jonkman. Verslingerd. 2014)

4) (1988) (homotaal) jongen: 'Wie is dat ding?'

• (Arendo Joustra: Homo-erotisch woordenboek. 1988)

5) (1957) (het Ding) (Rotterdam) bijnaam van The Hope, het abstracte beeldhouwwerk van Naum Gabo.

• Rotterdam staat bekend om haar vele bijnamen. Oudenaarden: “Een theorie is dat men na het bombardement alles een naam gaf om zich weer thuis te kunnen voelen in de nieuwe stad.” Rotterdammers blijken weinig affiniteit te hebben met moderne kunst. The Hope, het abstracte beeldhouwwerk van Naum Gabo uit 1957 heet kortweg "Het Ding'. De Verwoeste Stad van Ossip Zadkine (1953), heet in de volksmond "Jan Gat'. En de schouwburg van Wim Quist staat bekend als "De kist van Quist'. Journalisten, ambtenaren en architecten proberen de volksmond vaak voor te zijn. Zo noemde architect Carl Weeber zijn wooncomplex op Zuid zelf "De Peperclip', een samenvoeging van "paperclip' en A. Peper, zojuist burgemeester van Rotterdam geworden. “Vroeger had je de stoomtram naar het zuiden. Omdat er zoveel mensen onder kwamen, sprak iedereen van "de Moordenaar': "Hoe laat vertrekt de Moordenaar?' Met de bovengrondse metro naar de wijk Ommoord gebeuren ook veel ongelukken, dus heet die volgens de kranten nu "de Ommoordenaar'. Maar dat zal iemand uit Ommoord niet snel zeggen.” (NRC Handelsblad, 14/10/1993)