(19e eeuw) bijnaam van de Nederlandse humanist Desiderius Erasmus (1466? -1536). Zijn bekendste werk is 'Lof der Zotheid' (rond 1509 in het Latijn geschreven).
• Met vernieuwde woede wordt er nu ter eere Gods gebannen, gemarteld , geworgd, gehangen, geblakerd, gebrand, onthalsd, verdronken, gedolven of met de putte gestraft d. i. levend begraven. De beulen echter vermogen niet het mosterdzaadje te verstikken: het tiert weelig in bet vergoten bloed. De kerk zelve vergiet het niet, zij gruwt er van en laat het den leeken over. Edoch waar brandstapels verrijzen, worden ketters gezaaid, getuigt Erasmus, de tamme godgeleerde. (De tijdspiegel. 1897)
• Tamme godgeleerde (De -, Desiderius Erasmus († 1536), die wel een voorlooper der Kerkhervorming geweest is, maar altoos uitmuntte door verdraagzaamheid. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)