1) (1960+) (Eng.) (jeugd) (hippe) kerel, vent; (jazz)muzikant. Ook in combinatie met andere woorden: cool-cat, jazz-cat enz.
• Cat, 1) iedereen die de underground waardeert; 2) een menselijk wezen. (R.G. Broersma: Recht voor z'n Raap. Jargonboek voor hippe en andere vogels. 1970)
• .. je moet wel meegrooven met die cat of je wil of niet. (Tom Wolfe: De Trip, 1971, Nederlandse vertaling)
• De cat schreef iets op of deed althans zo en maakte verbeten het slot los. (Ben Borgart: De vuilnisroos. 1981)
• Maar dat staat niet op de plaat, het waren studiomuzikanten, cleane cats met veel routine... (Vrij Nederland, 10/03/1984)
• ... de jazz-cats achter Sting. (Oor, 08/03/1986)
• De zanger, Iceman, was een hele lange zwarte cat van twee meter zes of zo. (Oor, 04/10/1986)
• ... een stel prominenten en sessie-cats. (Oor, 11/02/1989)
• Zoals Hans Dulfer. Oorspronkelijk een jazz-cat (`Als je een hippe vogel was had je kortgeknipt haar, een parka, geitewollen sokken en van die Zweedse muilen en hele strakke broeken'), heeft hij zijn muziek altijd weten te vernieuwen tot de oorverdovendste hardrock toe. (Elsevier, 11/09/1993)
• Net als toen ‘Ben ik te min’ een hit was, sprak hij weliswaar alle lagen van de bevolking aan, maar toch vooral de jeugd: ‘Surinaamse, Antilliaanse en Marokkaanse cats en chicks. (Marcel Groenewegen: Armand. En nou ik. 2016)
2) (19e eeuw) (afk.) catechisatie.
• Adj. Insp. = Adjunct-Inspecteur. Ass. Res. = Assistent-Residentie. (B.) = Bulusch (dialect). Bat. Gen. — Bataviaasch Genootschap. BB = Binnenlandsch Bestuur. Bijb. Gen. = Bijbel Genootschap. Cat. = Catechisatie. Cath. = Catholiek. (Nicolaas Graafland: De Minahassa: haar verleden en haar tegenwoordige toestand, Volume 1. 1898)
Gepubliceerd op 18-05-2020
cat
betekenis & definitie