Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 21-08-2025

canaille

betekenis & definitie

(1569) (ook: kanalje) (scheldw.) gemeen volk; gepeupel. De aangesprokenen worden vergeleken met dieren. Het Franse ‘canaille’ is overgenomen uit het Italiaans, waar ‘canaglia is afgeleid van ‘cane’ (Latijns: ‘canis’): hond. De letterlijke betekenis is dus: het hondenvolk. Napoleon bezat naar verluidt een zorgvuldig aangelegde zwarte lijst van personen die hem vijandig gezind waren. Op het titelblad had hij met eigen hand in het Italiaans en het Frans de woorden ‘canaglia-les canailles’ geschreven.

• canaille, ’t graauw, jan-rap en sijn maat, huyg en haag, t’saamen rottend volk, gespuys. Soo word het slegte volk gemeenelijk geheeten om hun onweetenheyd in reden, weetenschap, en seden: en om dat het in alles soo onbesuyst en spooreloos opstuyft. (Adriaan Koerbagh: Een bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet. 1668)
• Men kan wel zien, dat het canaille aan de Academie den baas
speelt — te drie uren! (Johannes Kneppelhout: Studenten-typen. 1839-1841)
• Doch mijn Contubernaal riep mij eens apart en zei mij: foei! je moet nooit den hoed afnemen tegen den Hospes, nooit iets verzoeken, of als het u belieft zeggen; zoo doende maakje je te gemeen met dat volk, dat lompe canailje zouje op de kop zitten, je moet ordonneren, en, al wou je slechts een pijp uit de kas hebben, moet je ze boven schellen, of de gantsche kamer in den brand stond. (Klikspaan: De studenten en hun bijloop. 1844)
• ‘Vreeselijk! hemeltergend!’ riepen beide heeren uit. ‘Hoe heet het van daag is bij zoo iets voelt men een koude rilling door de leden. Het is kanalje dat Negergoed.’ (C. van Schaick: De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. 1866)
• ‘Canaille, veepak! Ik zal je leeren eene weerlooze vrouw te mishandelen,’ schreeuwde hij. (Willem Roda: Eli Heimans.1889)
• Waar is dat canaille? Waar is dat smerige wijf, dat vuile..... (Bernard Canter: Twee weken bedelaar. 1900)
• Wat een kanalje, zei Milada vol walging. (het Volk, 01/10/1910)
• Gij hebt ons geruïneerd! Mijn kinderen, geruïneerd. Zij zullen ons onterven! Kanalje! Kanalje! brulde hij buiten zichzelve. (Cyriel Buysse: Tantes. 1924)
• ‘'t Is een nobele canaille,’ zegt men; doch in hun oog verbetert het bijvoeglijk, het zelfstandig naamwoord. (August Snieders: Werken. Deel 45. De nachtraven. 1932)
• (Simon Vestdijk: Meneer Visser's hellevaart. 1936)
• Al wie minder in stand is dan ik is mijns inziens een canaille. (Annie M.G. Schmidt: Haar vaders koetsier. 1947-1950)
• La canaille de I’Europe c’est I’aristocratie des Indes. (F.) Het schuim van Europa is de aristocratie van Indië. Fransche zegswijze die het karakter der vroegere Oostgangers kenmerkte. (A. Huizinga: Woorden en gedachten. 1950)
• Canaux, canards, canaille. (F.) Kanalen, eenden, honden (gepeupel). De kortst mogelijke omschrijving van Holland en de Hollanders dooreen Fransch satyricus (verm. Voltaire, in wiens geschriften het evenwel niet voorkomt). (A. Huizinga: Woorden en gedachten. 1950)
• Het canaille is komen opdagen. (Max Dendermonde: De wereld gaat aan vlijt ten onder. 1954)
• Canaille, gepeupel, gespuis; gemeen vrouwspersoon. (Fokke Bos: De vreemde woorden. Derde druk. 1955)
• En zo wil ik je dan belonen’, besloot de dzjinni, ‘voor de onschatbare dienst die je mij bewezen hebt door mij van dat canaille, die afschuwelijke feeks te verlossen, die mij het verblijf in mijn put, waar ik mijn bestaan in rust en vrede had willen slijten, onmogelijk kwam maken. Moge Allah haar verdoemen!’ (Paul Rodenko: Huwelijksnacht in duplo en andere vrijmoedige liefdesverhalen uit 1001-nacht. 1955)
• Moest hij zich dat dan maar laten welgevallen van zo'n kanalje van een meid? (H.H.J. Maas: Peel omnibus. 1969)
• Als wij, van de politie, beste vriend zeggen, bedoelen we canaille, maar wij vergulden de pil zo lang mogelijk. (Ab Visser: Het kind van de rekening. 1969)
• Hij marcheerde aan het hoofd van een legioen naar Boedapest, om de radenrepubliek omver te werpen, en schoot elke dag honderden arbeiders en boeren overhoop. Men had hem verteld, dat het canaille was, en canaille was vijand en schietschijf en vogelvrije prooi. (Theun de Vries: Eros in hinderlaag. 1970)
• Die staan daar uren in de brandende zon te wachten op die paar seconden, waarin een stel betrapte bedriegers voorbij fietst, louter om het genoegen het canaille uit te fluiten en dan weer naar huis te gaan. (Godfried Bomans: Adviezen van een oude rot & ander sportief proza. 1988)
• Voltaire kende zijn pappenheimers ook. ‘Nederlanders,’ zo schreef hij, ‘zijn een volk van ‘canards, canaux’ en ‘canaille’. (Elsevier, 09/11/2002)
• Anderzijds staat Balkenende onder grote druk van het vorstenhuis om Mabel van het perscanaille te redden. (de Groene Amsterdammer, 11/10/2003)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.