Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 18-05-2020

canaille

betekenis & definitie

(1569) (ook: kanalje) (scheldw.) gemeen volk; gepeupel. De aangesprokenen worden vergeleken met dieren. Het Franse ‘canaille’ is overgenomen uit het Italiaans, waar ‘canaglia is afgeleid van ‘cane’ (Latijns: ‘canis’): hond. De letterlijke betekenis is dus: het hondenvolk. Napoleon bezat naar verluidt een zorgvuldig aangelegde zwarte lijst van personen die hem vijandig gezind waren. Op het titelblad had hij met eigen hand in het Italiaans en het Frans de woorden ‘canaglia-les canailles’ geschreven.

• Men kan wel zien, dat het canaille aan de Academie den baas
speelt — te drie uren! (Johannes Kneppelhout: Studenten-typen. 1839-1841)
• Doch mijn Contubernaal riep mij eens apart en zei mij: foei! je moet nooit den hoed afnemen tegen den Hospes, nooit iets verzoeken, of als het u belieft zeggen; zoo doende maakje je te gemeen met dat volk, dat lompe canailje zouje op de kop zitten, je moet ordonneren, en, al wou je slechts een pijp uit de kas hebben, moet je ze boven schellen, of de gantsche kamer in den brand stond. (Klikspaan: De studenten en hun bijloop. 1844)
• ‘Vreeselijk! hemeltergend!’ riepen beide heeren uit. ‘Hoe heet het van daag is bij zoo iets voelt men een koude rilling door de leden. Het is kanalje dat Negergoed.’ (C. van Schaick: De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. 1866)
• ‘Canaille, veepak! Ik zal je leeren eene weerlooze vrouw te mishandelen,’ schreeuwde hij. (Willem Roda: Eli Heimans.1889)
• Waar is dat canaille? Waar is dat smerige wijf, dat vuile..... (Bernard Canter: Twee weken bedelaar. 1900)
• Wat een kanalje, zei Milada vol walging. (het Volk, 01/10/1910)
• Gij hebt ons geruïneerd! Mijn kinderen, geruïneerd. Zij zullen ons onterven! Kanalje! Kanalje! brulde hij buiten zichzelve. (Cyriel Buysse: Tantes. 1924)
• (Simon Vestdijk: Meneer Visser's hellevaart. 1936)
• Al wie minder in stand is dan ik is mijns inziens een canaille. (Annie M.G. Schmidt: Haar vaders koetsier. 1947-1950)
• Het canaille is komen opdagen. (Max Dendermonde: De wereld gaat aan vlijt ten onder. 1954)
• Canaille, gepeupel, gespuis; gemeen vrouwspersoon. (Fokke Bos: De vreemde woorden. Derde druk. 1955)
• Moest hij zich dat dan maar laten welgevallen van zo'n kanalje van een meid? (H.H.J. Maas: Peel omnibus. 1969)
• Die staan daar uren in de brandende zon te wachten op die paar seconden, waarin een stel betrapte bedriegers voorbij fietst, louter om het genoegen het canaille uit te fluiten en dan weer naar huis te gaan. (Godfried Bomans: Adviezen van een oude rot & ander sportief proza. 1988)
• Voltaire kende zijn pappenheimers ook. ‘Nederlanders,’ zo schreef hij, ‘zijn een volk van ‘canards, canaux’ en ‘canaille’. (Elsevier, 09/11/2002)
• Anderzijds staat Balkenende onder grote druk van het vorstenhuis om Mabel van het perscanaille te redden. (de Groene Amsterdammer, 11/10/2003)