Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 19-08-2020

bumpers

betekenis & definitie

(1960+) (inf.) grote borsten. Metafoor die ook in het Engelse taalgebied populair is en ontleend werd aan de automobielindustrie, net zoals koplampen*. Fransen gebruiken wel eens schertsend de termen 'amortisseurs' of 'pare-chocs' wanneer ze het over een weelderige boezem hebben. Een 'goedgeschapen' vrouw of meisje noemen onze zuiderburen 'un beau châssis'.
Voor syn. kijk onder ballen* en boobies*.

• Ik keek vol bewondering naar haar enorme bumpers. (Jan Cremer: Ik, Jan Cremer. Tweede Boek. 1967)
• Bumpers: borsten. (Piet Grijs: Blijf met je fikken van de luizepoten af. 1972)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• Haar lijn is fraaier dan die van arme Jackie en hij verliest zich in de zwoele blik van haar koplampen en de stevige ronding van haar bumpers. (de Telegraaf, 17/07/1986)
• Tatjana en Vanessa mogen wel met hun blote bumpers op tv, maar een blote vent zie je maar zelden. (Nieuwe Revu, 05/09/1991)
• Jongens zijn stom, want als meisjes borsten krijgen, noemen ze dat ‘bumpers’. (Opzij, september 1993)
• Ze liepen steeds inspectierondjes door de hal, bespraken, met zijn tweeën achter je staand, hardop de maten van je billen, bedoelden altijd lichaamsdelen ook al hadden ze het over ‘koplampen’ of ‘bumpers’.... (Elsevier, 05/06/2004)
• Op een gegeven moment trok ze me naar zich toe en zat ik zowat met mijn neus in haar bumpers. (Khalid Boudou: Iedereen krijgt klappen. 2013)
• ‘Nou ik ga naar de nailstudio,’ zegt hij, opgewekt. ‘Echte Amsterdamse stoten heb je daar, met van die bumpers. Heerlijk.’ (Viktor Frölke: Dagboek van een postbode. 2016)