Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 03-09-2022

buis

betekenis & definitie

1) (1960+) (inf.) televisie. Verkorting van beeldbuis.

• En raklama op de buis kan natuurlijk niet zomaar. (Hitweek, 06/10/1967)
• Een forum met alle experts op de buis. (Arie B. Hiddema: Dag heer. 1970)
• Buis: televisie. (Piet Grijs: Blijf met je fikken van de luizepoten af. 1972)
• Ik verschijn met mijn huis(gezin) op de buis. (C. B. Vaandrager: De Hef. 1975)
• En dan moet je bedenken dat de buis vandaag bol staat van het naakt! (Johnny van Doorn: De geest moet waaien. 1977)
• Het gewone vroegere Nederlands is helemaal van de buis verdwenen. (Dimitri Frenkel Frank: De kleinste hond ter wereld. 1980)
• Ach ja, diezelfde oom is later nog op de heidense buis verschenen om de jeugd van Nederland tegen mij te waarschuwen. (Maarten ’t Hart: Het roer kan nog zesmaal om. 1984)
• Wat schurkte ik mij niet behaaglijk voor de buis. (Jos Brink: Stukje voor stukje. 1985)
• Toevallig zat ik braaf te kijken naar de weerman van het nts-journaal, toen ze thuiskwam. ‘Amuseer je je voor dat buisje?’ vroeg ze bits. (Johnny van Doorn: Langzame wals. 1986)
• Als het huwelijk een beetje oudbakken geworden is, dan zit je 's avonds met verstikkende regelmaat naast elkaar op de bank naar de buis te kijken. (Playboy, maart 1987)
• Ik hoop veel mooi cricket op de buis te zien. (C. Buddingh: Dagboeknotities. 1977-1985. Gepubl. 1994)
• Een minuut later valt Lamfreit in slaap voor de buis. (Paul Verhuyck: Hout en koper. 1999)
• Onlangs nog is hij als een soort fenomeen op de buis geweest. (Luuk Gruwez: Krombeke retour / Deerlijk Retour. 2011)
• Ik kijk tegenwoordig elke avond een romantische film in bed. Té heerlijk: baas van eigen buis. (Martje van der Brug: Havo is geen optie. 2013)
• Als gewezen marktkoopman heeft hij geen televisie nodig, laat die oudjes binnen maar voor de buis hangen. (Auke Kok: De eenzaamste vrouw van Amsterdam. 2014)
• Het kan toch niet dat de baas van rtl dit op de buis wil hebben? (Youp van ’t Hek: Youp voor gevorderden. 2016)
• Inmiddels is ze aan de universiteit van Wageningen aangesteld als hoogleraar en nog niet zo lang geleden verscheen ze regelmatig op de buis bij een wetenschapsquiz, waar zij uitleg gaf bij de juiste antwoorden op vaak lastige vragen. (Maarten ’t Hart: De moeder van Ikabod & andere verhalen. 2016)
• Foppe kijkt op van de tv, geeft een knikje, maar is daarna weer aan de buis gekluisterd. (Marlies Koers: Dagboek van een verloskundige. 2020)

2) (16de eeuw) (inf.) dronken.

• Boeie' (niet interessant of wat maakt het uit) is ook zo'n typisch Nijmeegs woord, en als ze vanavond nog dronken worden, dan zijn ze hier niet zat of lam maar 'knetterbuis'. (HP/ De Tijd, 16/07/1999)

3) (19e eeuw) (Vlaanderen, schol. en stud.) onvoldoende voor examen. 'Een buis krijgen': niet slagen voor een examen. Deze uitdrukking gaat terug tot een folkloristisch gebruik waarbij niet-verkozen kandidaten na een verkiezing met een kachelpijp of buis rondliepen en zich door iedereen lieten bespotten. Een hoge hoed werd in Vlaanderen ook schertsend ‘stoofbuis’ of ‘buis’ geheten. Deze hoed werd stilaan het symbool van een mislukking. Nu nog worden gezakte of gebuisde studenten met dit hoofddeksel afgebeeld. Waalse studenten hebben de uitdrukking overgenomen (recevoir une buse, être busé) al is dit niet naar de zin van Franse taalzuiveraars. Duitse studenten noemden rond 1860 hun hoge hoed, waarmee ze op het examen dienden te verschijnen, 'eine Angströhre' (angstbuis).

• (Amaat Joos: Waasch Idioticon. 1904)
• De twee laatste uitdrukkingen zijn 'n zinspeling op 'n andere studentikoze uitdrukking: ''n buis krijgen, gebuisd worden' die betekent: zakken bij 't eksaam (Van waar komt die buis?) De gedropen student is 'n buizer, en hem staan vele spreekwijzen ter beschikking om z'n uitslag mee te delen: 'ik ben er in gesjareld, ik hang er aan, ik ben er door... gevallen, ik heb er een aangepast (namelijk 'n buis). (Ons Leven. 42e Jaargang nr 2, 15/11/1929)
• Gebuisd worden hielp niet, want papa had over zijn buis van het eerste jaar niet eens iets gezegd, vertrouwend dat hij er wel eens zou door geraken met tijd en geduld. (Gerard Walschap: Celibaat. 1934)
• (L. Lievevrouw-Coopman: Gents Woordenboek. 1974)
• Hij is er met een blikken buis van afgekomen (hij is mislukt in zijn eksamen). (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• (Mon de Goeyse: O Vrij-Studentenheerlijkheid. Historisch-studentikoze schetsen. 1987) p. 17
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)

4) (2016) (drugs) (meestal verkleinvorm) bijnaam van GHB.

• GHB (buis(je), G, liquid x), Werking: maakt euforisch, seksueel stimulerend, ontspannend. (Elsevier. Het Partydrugs-ABC, 18/06/2016)

5) (1985) (Den Haag) flesje bier.

• Bruine buis: flesje bier. (Ad van Gaalen en Frans van den Mosselaar: “Kèk mè nâh.” Plat & betakt Haags. 1985)
• Een buis of buisje is een Haagse benaming voor een (bruin) flesje bier. (www.bierwoordenboek.com, 04/09/2011)

6) (19e eeuw) (Vlaanderen, inf.) hoge hoed. Kijk ook onder kachelbuis*.

• Wij vermoeden dat het nog de grote hoed uit de Spaanse tijd is, terwijl bij de leken meestal de hoge ,,buis” of de halve hoge hoed in de mode was. (Streven. 1962)
• dophoed, garibaldi, kaasbol, hoge hoed, zijden hoed, hoge dop, cilinderhoed, cilinder, klakhoed, klak, gibus, buis (Zn.), kachelpijp, kachelbuis (Zn.), stoofbuis (Zn.), hondekot (Zn.),... (Ludovicus Brouwers: Het juiste woord. 1965)
• .... na de plechtigheid had hij z'n buis afgezet, hoge hoed.... (P.C.J.M. Paardekooper: ABN-gids. 1969)
• (Walter de Clerck: Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek. 1981)
• Daar gaan ze een zwarte hoge hoed afgeven. 'Dit is de buis die u in de verkiezingen hebt gehaald,' roept de man die de groep aanvoert. (Jos Vandeloo: De weg naar de Ardennen. 1988)
• (H. Diddens: Woordenboek van het Mechels dialect. 1999)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)

7) (1977) (inf.) mannelijk geslachtsdeel.

• (Geïllustreerde Encyclopedie van de Sexualiteit. Ned. vertaling van The Visual Dictionary of Sex. H.J.W. Becht-Amsterdam. 1977-1980. Woordenlijst p. 126)