Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 26-05-2026

brommer

betekenis & definitie

1) (2022) (wielr.) zie citaat.

• Brommer: een coureur die veel sneller rijdt dan andere renners; een woord dat weleens een blijvertje kan worden; een brommer is natuurlijk ook een tweewieler. Ook het werkwoord ‘brommeren’ kun je wel horen. (Peter Tetteroo en Henk Tetteroo: De Fiets Scheurkalender. 2023)

2) (1906) (Barg.) ketel.

• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• (J.G.M. Moormann: De geheimtalen. 1934)
• (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)

3) (1950) (verkorting van bromfiets) rijwiel met hulpmotor.

• Wat hem wel belang inboezemt. ... of hij bijna zonder benzine staat. En dus zullen de fabrikanten dat bête benzinemetertje heus wel vervangen door een lampje of een brommer-verklikker. (De Telegraaf, 20/04/1950)
• Een rijbewijs wordt er niet voor vereist, ieder die vierhonderd gulden kan neertellen voor een brommer — tenzij hij een op afbetaling kopen wil wat ook mogelijk is — kan zijn snelheidsdriften naar hartelust uitleven. (Java-bode: nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indie, 21/11/1951)
• ‘Weet jij van wie die brommer is, Miep?’ vraagt Lankman.
‘Die brommer? Jazeker wel,’ zegt de vrouw. ‘Die is van Jaap, onze nieuwe knecht. Vanmiddag kon hij met een vriend meerijden en hij heeft daarom zijn brommer laten staan.’ (Berend Jager: Het geheim van de Adelaarsburcht. 1965. 2e druk)

< >