(1987) (inf.) modaal gezin bestaande uit twee ouders en hun kinderen, dat 's ochtends gezamenlijk voor een bord dampende Brintapap zit.
• De meeste films worden gehuurd door vier persoons-huishoudens: het zogeheten Brinta-gezin. (Het vrije volk, 06/08/1987)
• Bewuste nietouderi worden aangeslagen voor de wellust van buren, die met hun Brintagezin ieder kwartaal op staatskasten nieuwe schoenen mogen aanschaffen. (Leeuwarder courant, 18/11/1993)
• Bovendien rijst de vraag hoe ver we willen gaan met het flexibiliseren van de samenleving. Volgens minister Melkert is het 'Brinta-gezinnetje' dat gezamenlijk de maaltijden gebruikt, achterhaald. Hoe oubollig het ook moge klinken: samen eten is een zaak die de moeite van het verdedigen waard is. (De Volkskrant, 06/11/1996)
• Het toenmalige 'Brinta-gezin', bestaande uit hetero-ouders, een zoontje, een dochtertje en een huisdier, is niet mijn ideaalbeeld. (Marcel L. Bos: Echte vaders over adoptie. 2004)
• Wij Nederlanders hebben een koningshuis dat bestaat uit een stelletje grijze muizen. Ten eerste zijn het er veel te veel, ten tweede zijn ze allemaal extreem onaantrekkelijk en ten derde doen ze nooit iets interessants. Ja Willem Alexander en Maxima gaan wel eens op de foto tijdens skivakanties, met hun kleurloze brintakinderen, en Beatrix doet aan beeldhouwen. (Nieuwe Revu, 11/02/2009)
• De zieke, keurige leventjes vanjullie Brintagezinnen, metjullie SUV's, labradors, aangeharkte voortuinen en schoongeveegde opritjes. (Susan Moonen: Conflict: is hun vriendschap sterk genoeg om het verraad te overleven. 2013)
Gepubliceerd op 05-05-2020
Brintagezin
betekenis & definitie