Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 21-06-2024

bow-wow-theorie

betekenis & definitie

(19e eeuw) (< Eng. bow wow, woefwoef, hondengeblaf) theorie verkondigd door meerdere geleerden, waaronder Jean-Jacques Rousseau en Johann Gottfried Herder, over de herkomst van de menselijke taal. Volgens deze theorie zouden de eerste menselijke talen zich ontwikkeld hebben uit een klanknabootsing of onomatopee. De Oxfordse hoogleraar Max Müller dreef hiermee de spot. De Ding-Dong-theorie concentreerde zich dan weer op hoe dingen klonken of leken op de eerdere woorden.

• Wij hebben, ook op grond der resultaten van het historisch onderzoek, alle recht tot de onderstelling, dat zeer veel woorden, zoo niet de meeste, oorspronkelijk niets anders zijn geweest dan klanknabootsingen; dat het zelfs met de thans bij uitstek beschaafde en ontwikkelde litterarische talen, de Semitische b.v. en de Arische, in den beginne evenzoo geschapen stond; dat ook onze voorouders primitief eene taal spraken in alles gelijk aan het geklikklak van de Hottentotten. De Oxfordsche Hoogleeraar Max Müller moge met die onderstelling, waaraan hij spottenderwijs den naam geeft van bow-wow-theorie, onmeedoogend den draak steken, ik meen dat tegenover hem de geleerde Farrar haar goed recht krachtig en afdoende heeft gehandhaafd. (De taal- en letterbode. Jaargang 2. 1871)
• Max Müller spot met de bow-wow-theorie, die in de wortels imitaties van natuurgeluiden, hij spot met de pooh-pooh-theorie, die in hen onvrijwillige interjecties zoekt. ‘Waren, zegt hij, de elementen der taal klanknabootsingen of kreten, dan zou het onbegrijpelijk zijn, dat de dieren niet spreken.’ Maar de spits van dit argument is reeds afgebroken; wij hoorden namelijk, dat het den dieren waarschijnlijk òf aan vermogen, òf aan geneigdheid hapert om gearticuleerde klanken voort te brengen. (De Tijdspiegel. Jaargang 31. 1874)
• Volgens de eerste was 't begin der taal klanknabootsing, volgens de andere was het begin der taal een onwillekeurige kreet, de eerste denkt aan natuurgeluiden de tweede aan tusschenwerpsels. Toen Johann Grotfried von Herder - lang vóor dat er aan taalwetenschap gedacht werd, - de eerste theorie verbreidde, dacht niemand er aan, hem tegen te spreken, totdat hijzelf bij voortgezette studie van de onwaarheid zijner theorie overtuigd werd. Het is zeker waar, dat kinderen de dieren vaak naar de geluiden noemen, maar het is even waar, dat van 15 namen van dieren in 30 talen vertaald, maar éen in allen hetzelfde geluid deed hooren nl. visch, de naam van een dier, dat gelijk de meesten beweren geen geluid geeft. Dewijl de verschillende geluiden door den een anders worden gehoord dan door den ander, behoefde dit geen bewijs te zijn tegen Herder's theorie. Max Müller noemt die de bow-wow-theorie, maar zeker is het, dat hond niets gemeen heeft met bow-wow of wou-wou of wof-wof of eenig ander hondegeluid en poes mag op spinnen of snorren gelijken, kat zeer zeker niet evenmin, als paard of ros op ‘hinniken.’ (Noord en Zuid. Jaargang 5. 1882)
• Bow-wow-theorie, spotnaam, door den Oxfordschen hoogleeraar Max Müller toegepast op de leer van hen, die de menschelijke taal alleen uit nabootsing van de klanken der dieren wilden verklaren, zoodat de hond dan in die taal bow-wow zou geheeten hebben. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• De bow-wow theorie. De eerste woorden waren klanknabootsingen; men maakte bv. het geblaf van een hond na en het woord dat men daarbij verkreeg, beteekende hond of blaffen. (P.J. van Maissen: Het leven der taal, inzonderheid van het Nederlandsch. 1900)
• We leren dat Douwes Dekker de bow-wow-theorie prefereerde boven de poohpooh-hypothese, en van mening was dat het Sanskrit ("een taal die reeds door haar overkunstigen bouw, mangel vertoont aan Ur.") niet de oorsprong van alle talen was: het Keltisch kwam daar eerder voor in aanmerking. (NRC Handelsblad, 25/01/1980)

< >