Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 23-05-2022

boosten

betekenis & definitie

(1991) (< Eng. to boost + en) (inf.) oppeppen; opkrikken.

• Deze vaccins zijn niet bedoeld om de hele bevolking tegen besmetting in te enten, maar om bij seropositieven het afweersysteem zo op te peppen (te boosten) dat het virus wordt onderdrukt. (NRC Handelsblad, 12/06/1991)
• Microsoft trachtte vorig jaar zijn competitieve slagkracht op de internetmarkt te boosten door Yahoo! over te nemen. (De Morgen, 25/04/2009)
• Ook de initiatieven die Belgacom in de eerste jaarhelft nam om het internet te 'boosten' -onder meer door formules zonder datalimieten aan te bieden- werden een succes, aldus ceo Didier Bellens. (De Standaard, 31/07/2010)
• Om je zelfvertrouwen helemaal te boosten, zorg je er best voor dat je lichaam tot in de puntjes verzorgd is. (Metro, 14/02/2011)
• Hij was kandidaat om Jelles zelfvertrouwen te 'boosten'. (Het Belang van Limburg, 16/02/2013)
• Hoe wordt u een influencer op Instagram? "Niet moeilijk. Een select aantal mensen is genoeg om uw profiel te boosten. Het systeem heet 'pods' en hackt de feed van de gewone sterveling. Wannabe influencers maken gebruik van een zogenaamde bot." (Het Laatste Nieuws, 12/07/2017)

< >