Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 20-09-2026

boem

betekenis & definitie

1) (1990) (politie) stormram. Ook wel: boemer.

• Bij één woord is het bijkomend geluid de inspiratiebron geweest: een door de Haagse politie zelf ontworpen ram om deursloten eruit te stoten, wordt de 'boem' genoemd. (Leo Van Heijningen: Politietaal. 1990)
• Net als in politiefilms gaan ze in ganzepas langs de gevel, het wapen omhoog gericht. Dan wordt de film versneld en is niet meer te volgen wie wat doet. Je hoort de 'boem' op de deur rammen. Die vliegt open en een vreselijke kreet klinkt door de stille straat waar het inmiddels vol kijkers staat. (Nieuwe Revu, 09/11/1994)
• Op woensdagochtend 10 november 2004 om 2.50 uur krijgt Jason de kans te vechten en zelf `shaheed' te worden. Met een stormram, ,,boem'' in politiejargon, beukt een arrestatieteam op de deur van zijn woning in de Haagse Antheunisstraat. (NRC Handelsblad, 28/01/2005)
• Dan zwaaien de koninklijke gast, Deelman en korpsbeheerder Peter den Oudsten, in de nagebouwde winkelstraat, de stormram, de boemer in politietaal. De ingebeukte, nieuwe deur is meteen echt stuk... (Dagblad Tubantia/Twentsche Courant, 08/07/2006)
• Met een stormram, 'boem' in politiejargon, beukt een arrestatieteam op de deur van zijn woning in de Haagse Antheunisstraat. (NRC Handelsblad, 28/01/2005)

2) (1970) (luchtv.) harde landing.

• (de Vliegende Hollander, 25/05/1970).

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend