Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 22-04-2020

bobbels

betekenis & definitie

1) (1937) (inf.) borsten.

• Als je toch naar benede springt, vraag dan meteen an je aanstaande of ze misschien nog een zusje heeft met ook zulke lekkere bobbeltjes! (Willem van Iependaal: Lord Zeepsop. 1937)

2) (1980+) (ook: bubbels) (beurs) windhandel. Ontleend aan het Engelse beursslang 'bubble'.

• (Pauline Van de Ven: Beleggen en speculeren op de beurs. 1986)
• (Jaap van der Wijk: Woordenboek voor de Beurs. 1991)