Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 26-05-2020

bik

betekenis & definitie

(18e eeuw) (varianten: bikkement, bikkesement, bikkerij, biks) (Barg.) (warm) eten; voedsel. Pseudo-geleerde uitgang -ement, zoals in stadhuistaal 'document' en 'testament' of gewoon het Franse achtervoegsel. Bikkesement werd reeds in 1731 aangetroffen. Zie ook: zijn bik ophalen.

• Eetbare waaren: Bikkement. (Nicolas Racot de Grandval: Nederduitsch en Bargoens woordenboek. 1743)
• Zeg nou niet, dat jij alleen voor 't bikkesement zorgt. (Köster Henke: De Boeventaal. 1906)
• Maar jij, drommedaris... iesegrim,... ging onverstoord Jan naar Manus voort, óver de hoofden der vreemde meeschimpers heen,... je laupt vast an de grond... jouw maag walgt van de bikkement! (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922)
• Ikke bin gebete... Blinde... blinde... ha... haselwurrumpies hebbe mijn gelust veur d'r bikkesement,... nége wonde hebbe se in me fiese-le...mie... gebete... (Israël Querido, De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 4: Mooie Karel. 1924)
• Me hebbe net het bikkesement op en waor gegeite wordt... (Nono: Amsterdammers. 1927)
• M'n 'bik op de pof'
Werd: diner op crediet. (Willem van Iependaal: Liederen van de zelfkant. 1932)
• Laat ik nou even dien keukenprins helpen, anders hebben we morgen niks voor ons bikkesement. (Marcel J.A. Artz: Achter ronkende motoren. 1932)
• We zalle de dokter maar passere en zien dat we thuiskomme met de bikkesement. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
• Na alle sporen, die hem parten zouden kunnen spelen, verwijderd te hebben, zet hij zich tot bikkesemente; na weinige oogenblikken is de soep met een tampie kug verorberd. (Fr. Van de Vrande: Grensleven. 1936)
• ‘Geen trek in bikkerij?’ zei hij, ‘d'r waren anders kapitale perziken.’ (A. den Doolaard: Wampie. De roman van een zorgeloze zomer. 1938)
• Ik weet toch niet, hoe ik voor m'n vier koters 't bikkesement mot opscharrele... (Jan Mens: Mensen zonder geld. 1939)
• De opvatting in het algemeen over de arbeid is: „Je werkt niet voor je plezier, maar voor de bik." (H. Dijkhuis: Vijftig dagen in een Jordaans kosthuis. 1939)
• Is d'r bai jou thois een dokter, die het bikkesement controleert? (Piet Bakker: Branding. 1940)
• Nou -ik heb een fijne étage gevonden, boven een slager en naast een bakker. Geen minuut hier vandaan. Het bikkesement is dus wel in orde. (Piet Bakker: Cis de Man. 1947)
• Bikkesement, voedsel, ook broodwinning. (Maurits Dekker: Amsterdam bij gaslicht. 1949)
• ... dat je an de kaai 'n gehaaide knaap mot wezen, om geregeld an je bikkesement te komme... (Jan Mens: Er wacht een haven. 1950)
• Hij moest eerst eens wat bikkesement zien te krijgen... (Piet Bakker: Kidnap. 1953)
• … een tafel, een paar stoelen, een radio, bikkesement. (Simon Carmiggelt: Kroeglopen. 1962)
• Je zou het niet willen geloven maat, maar in de bajes hebben ze het beter. Lekker warm en de bikkesement is uit de kunst. (Catalijn Claes: Zilveren zielen. 1978)
• Bikkesement, znw. Het eten, de kost. (J. Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)
• Mij maakt het nooit uit wat mijn vrienden doen voor hun bikkesement... (Haring Arie: De Sarkast. 1989)
• Bikkesement: voorraad etenswaar. (Paul Spapens, Gerard Steijns, Wil Sterenborg & Frans Verbunt: Goedgetold. Diksjenèèr van de Tilbörgse taol. 2004)
• ‘Da’s goed, kind,’ zei hij. ‘Geef jij de kalveren maar wat biks.’ (Marga Kool: Een kleine wereld. Terug naar het dorp van mijn ouders. 2006)
• Ik ga voor de bikkesement zorgen. Stamppot van gestoofde uien en een runderlappie, lijkt het je wat? (Catalijn Claes: Steenzetters. 2013)