Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 14-10-2021

bezopen

betekenis & definitie

1) (1900) (inf.) dwaas; gek, onzinnig: 'Ben je bezopen?' Ben je niet goed wijs? Eigenlijk: ben je dronken? 'Te bezopen om los te lopen': te gek om waar te zijn.

• Ben je bezopen? zegt zijn buurman; d'r moet wat gaande wezen. (Willem Paap: De doodsklok van het Damrak. 1908)
• „Bej bezopé; of durfi niet?" (de Groene Amsterdammer, 08/03/1914)
• Je slaat 'n bezopen figuur, Duporc - maar zooals je wil.. (Herman Heijermans: De moord in de trein. 1925)
• Je vindt het misschien bezopen van me, maar die Engelsman heeft beslist niet veel goeds in de zin. (Beb Vuyk: Duizend eilanden. 1937)
• 't Is gewoon bezopen, wat ie doet. (Piet Bakker: De slag in de Javazee. 1951)
• Ik vind het gewoon bezopen al die atoomzooi. (Hitweek, 18/03/1966)
• Wat heb jij een bezopen hoed op. (Simon Carmiggelt: Je blijft lachen. 1968)
• ‘Die bezopen briefjes,’ zei Hoofdinspecteur Green. (Havank: De versierde bedstee. 1971)
• Hoe kom je aan zo'n bezopen idee? (Johan Fabricius: Partnerruil niet uitgesloten. 1972)
• Nou, ik vind de kleur afschuwelijk en het model bezopen. (Simon Carmiggelt: Elke ochtend opstaan. 1973)
• ‘Hij is geslaagd voor arts,’ meldde Santje. ‘We gaan trouwen. Ik ga morgenochtend weg.’
Daar werd hij wakker van. ‘Ben je nou godverdomme bezopen?!’ vroeg hij. (Olaf J. De Landell: De kroon van de porselein-boom. Deel 2. 1975)
• Dichters die over Gerrit Komrijs De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten schrijven doen dat heus niet altijd zo bezopen als in het boekennummer van maart 1980. (Piet Grijs en anderen: …. Honderd. Ik kom! 1982)
• (Johanna van Reeuwijk: Groot Nederlands Drankwoordenboek. 1984)
• Ja, kort duurt het, maar af en toe kun je toch behoorlijk bezopen dingen meemaken! (J.M.A. Biesheuvel: Zeeverhalen. 1985)
• Ik kan mij niet herinneren dat wij ooit zo’n bezopen zaak onder handen hebben gehad. (A.C. Baantjer: De Cock en het lijk op drift. 1998)
• Van 'The Nanny' kan ik ook verschrikkelijk genieten - hoe volslagen bezopen dit ook mag klinken. (Nieuwe Revu, 27/07/2005)
• Wat moet die buitenlander hier?! Ben je helemaal bezopen? (Pieter Waterdrinker: Montagne Russe. 2007)
• Man, kijk niet zo bezopen, ze vreten je daar niet op. (Catalijn Claes: Boven alle vragen. 2009)
• Net zoals die Hollanders met hun permanentjes. Er is zelfs een nieuwslezer van de NOS die er een heeft. Bezopen gewoon. (Naima El Bezaz: Vinexvrouwen. 2010)
• Afgezien van die bezopen naam voor de zaak ben ik inderdaad blij met je, Marijn! (Jeroen van Inkel: Kortsluiting. 2014)
• ’t Ziet er bezopen uit als een oude man van 78 om vier uur ’s middags met een pannetje en een mandje naar buiten staat te gapen. (Hans Dorrestein: Het rimpelperspectief. 2018)
•“Hij moet eerst nog dat bezopen participatietraject doorlopen,” zeg ik. (Martje van der Brug: Zo doen we dat hier. 2018)
• En weet je wie er jarig was, op maandag? Ik. Het is echt een beetje bezopen, maar de begrafenis was op mijn verjaardag. (Sofie Lakmaker: De geschiedenis van mijn seksualiteit. 2021)

2) (19e eeuw) (inf.) dronken. 'Straalbezopen': in hoge mate dronken. Ook: zo bezopen als een meelmieter (M.A. van den Broek: Alcoholisch Spreekwoordenboek. 2000).

• Hee-je niet verstaan? Of ben je bezopen? (Herman Heijermans: Diamantstad. Tweede druk. 1906)
• (Dr. C.G.N. De Vooys: Verzamelde taalkundige opstellen. Deel III. 1947) p. 232
• Daar stond hij met ’n bezopen vent in het ruim, tel uit je winst. (Jan Mens: Er wacht een haven. 1950)
• Hij was bezopen, hij was stomdronken. (Louis Paul Boon: De liefde van Annie Mols. 1959)
• Zingen doe je toch alleen als je bezopen bent. (Simon Carmiggelt in het Parool, 30/11/1971)
• Dan mag je bezopen thuis komen. (Jan Arends: Keefman. 1972)
• Ik weet dat ik een bezopen toon aansla. Ik kan het zelf niet helpen. (Frans Kellendonk: De nietsnut. Een vertelling. 1979)
• Maar ik was dus wel goed bezopen, dat wel. (Herman Brusselmans: Prachtige ogen. 1984)
• Dronken is het woord. Of eerder bezopen. (Herman Brusselmans: Heden ben ik nuchter. 1986)
• ‘Je bent bezopen, man.’ Hij maakte een hoofdbeweging naar de kamer. ‘D’r liggen daar wel twintig lege flessen en ik denk niet dat jij een feestje gehad hebt. (Leon de Winter: De ruimte van Sokolov. 1992)