Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 08-04-2020

beurt

betekenis & definitie

(1960+) (euf.) seks: 'een goeie beurt'. Vgl. grote beurt*.

• Het enige wat jij nodig had, was een goeie beurt. (Lydia Rood: Louter lust. 1997)
• Ze heeft hem voor een driedubbele beurt betaald, zich verlustigd aan de lul van een arme sloeber, maar wil hem niet herkennen in haar dure buurt, waar alle neuzen voor hem de hoogte in gaan. (Sjanti Mahabier: De Keizer van Rotterdam. 2009)
• 'Wanneer heb voor 't laatst een goeie beurt gehad?' 'Hoezo? Wat heeft dat ermee te maken?' 'Alles. Een goeie beurt doet wonderen. Of mis je meer? (Rita Spijker: Kreukherstellend. 2011)
• Je denkt toch niet dat oom politie in deze wildernis komt opdagen, hè moppie? Natuurlijk niet. Zij vinden ook dat jij een goede beurt verdient. (Liza van Sambeek: Bloed, zaad en tranen. 2011)
• Dat Katendrecht niet duur was, leid ik ook af uit het feit dat Venkatesh tachtig dollar (80,05 dollar om precies te zijn) vermeldt voor vaginale seks. Op Katendrecht ging onder de jongens het gerucht dat ‘een beurt’ vijfentwintig gulden kostte. Met andere woorden, Katendrecht was een koopje. (Simon Rozendaal: De winkel van mijn vader. 2011)
• Ik zit hier in de stress vanwege Dolfijntje, en jij zeurt me aan m’n kop over of ik je ex misschien een van mijn befaamde beurten heb gegeven. (Joost Zwagerman: Grote groet uit Zwagerland. Samengesteld door Maria Vlaar. 2018)