Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 08-04-2020

belazerd

betekenis & definitie

1) (1874) (inf.) gek, niet goed wijs. Betekent eigenlijk: aangetast door de lazarusziekte.

• Ben je nou helemaal belazerd, om mijn wagen voor keuken te gebruiken? (Leeuwarder Courant, 04/09/1891)
• beloazêrd, beloastêrd: belotjêt, enz. in: bist” beloazêrd?! ben je gek! ook: bin je beloazerd, zuurkool?! Ned.-bet.: zijde belaozerd? Limb. Belazert: melaatsch, scheldw. M.Nederl. belasert: met melaatschheid behept, melaatsch. Thans nog in de platte spreektaal in gebruik. (Verdam). (Zie v. Dale art. lazarij.) (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895)
• Belazerd, door de lazarusziekte, met uitslag en booze zweren bedekt; gemeene uitdrukking, loopende over de gedachte nìet gezond naar de beteekenis niet wijs, ook beetgenomen. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Ach! bi-je belazerd! vloekte hij innerlijk op zich zelf, met een ongeduldige ruk zijn hoofd omhoog... (Frans Coenen: Zondagsrust. 1902)
• Bè-je 'n háartje belazerd, kerel, niet in di schoone kwispedoor, breng 'm naar buiten! (L. H. Drabbe: Het dappere Hollandsche leger. 3e druk. 1904)
• Duur?! zegt Kas verbaasd als een van zijn gasten aanmerking maakt, duur? Je bent belazerd, man! (Jan Campert: Die in het donker. 1934)
Oi! doch ik, as 't al een poosie geduurd had, waar maak ie je mies over, je lijk wel belazerd om je zoo uit te slove en je verstand d'r an te wage. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
• Ben jij nou helemaal belazerd om me daarvoor uit m'n nest te halen! (Simon Vestdijk: Meneer Visser's hellevaart. 1936)
• Jij bent hartstikke belazerd! (Willem van Iependaal: Kluivenduikers doedeldans. 1937)
• Ben je belazerd! ben je zestig? Belazerd is letterlijk: melaats, de ziekte waaraan Lazarus leed; zie daar. (K. ter Laan: Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen. 1950)
• Je bent te belazerd om antwoord te geven. (W.F. Hermans: Paranoia. 1953)
• 'Je bent belazerd man', zei ik kregelig en opende op de tast het benzinekraantje. (Vincent Mahieu: Tjies. 1958)
• Ben je belazerd, ouwe, je hebt 't juist prachtig gedaan. (Simon Carmiggelt: Kroeglopen. 1962)
• Te klein? Ben je belazerd? (Simon Carmiggelt: Mooi weer vandaag. 1965)
• ‘U gaat een film voor het bedrijf maken,’ zei Carol. Nu het hardop werd gezegd, vond hij het zelf ook belazerd klinken; maar het was de waarheid. (Olaf J. De Landell: De porseleinen spiegel. 1976)
• Twintig jaar geleden zou het ondenkbaar geweest zijn dat een regeringspersonage het woord ‘belazerd’ gebruikte in het openbaar, maar nu gebeurt het. (Willem Frederik Hermans: Houten leeuwen en leeuwen van goud. 1979)
• Ben je nou helemaal een haartje belazerd, zei haar vader. (Maarten 't Hart: De steile helling. 1988)
• Al die rotwerkjes waarvoor ze Joegoslaven en Spanjaarden en tegenwoordig zelfs Turken hiernaartoe halen, omdat we er zelf te belazerd voor zijn, zouden we gewoon hoofdelijk moeten omslaan over alle wetenschappelijke ambtenaren … (J.J. Voskuil: Het Bureau 2. Vuile handen. 1996)
• … en wat als ik nou eens een keer had gezegd dat het niet oké was, Joyce, wat als ik had gezegd ben je nou godverdomme helemaal belazerd om niet te zeggen hé er staat nog een doos bij jou is het goed als ik die kom halen en wanneer zou jou dat schikken? (Marcel Möring: Amen. 2019)

2) (1942) (inf.) slecht, beroerd, lam, vervelend. Eigenlijk: de lazarusziekte hebbend.

• Jij belazerde schijtlaars, die een beetje kan schieten en paardrijden en met een pennemes spelen, ik vraag 't je nog eens: wat stel je je dan voor?! (Johan Daisne: De trap van steen en wolken. 1942)
• Je zag er daarstraks belazerd uit, vonden we. (Johan Fabricius: Jongensspel. 1963)
• Melchior, wil jij voor Guus herhalen wat je al tegen mij hebt gezegd. Niet dat ik zo belazerd speel, want dat weet ik wel, maar de rest. (Nelleke Noordervliet: De naam van de vader. 1993)
• Toch is Zeno niet de maker van de meest belazerde omslagen; die worden in elkaar geknutseld door de trojka Jeroen Klaver, Carla Goosens en Mar. Bouwvakkers zijn nog te belazerd hun lippen te tuiten tot ook maar een fractie van een fluitstand. (Annemarie Oster: Mooi geweest. 2012)
• Maarten keek naar hem. 'Hoe gaat het nu?'
'Belazerd. Mijn hart reageert nauwelijks meer op die prikkels.' (J.J. Voskuil: Meneer Beerta. Het Bureau 1. 1996)
• 'Eigenlijk is het een belazerd systeem,' vond Maarten. (J.J. Voskuil: Het bureau. Plankton. 1997)
• We moesten maar eens huiswaarts, Freddy, voordat je dadelijk te belazerd bent om te rijden. (Sjanti Mahabier: De Keizer van Rotterdam. 2009)
• We wisten niet dat die De Natris een joodse jongen was. En wat speelt-ie belazerd. (Marga van Praag & Ad van Liempt: Jap en Max. Het verhaal van de broers Van Praag. 2011)
• Daar stond een donker geklede man. Weer zoiets, nog te belazerd om even zijn helm af te zetten. (Pim Hermans: Dooie dagen. 2017)