Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 08-04-2020

beklimmen

betekenis & definitie

(1712) (inf.) (meestal vanuit mannelijk standpunt) geslachtsgemeenschap hebben. Komt reeds voor in de werken van Rusting. Ook: berijden; bestijgen. Vgl. Spaans: montar.

• Zij had mij in mijn onschuldige slaap beklommen en ik voelde hoe mijn door ochtendstijfte niet geheel onbruikbare fluit als een dobber in haar lichaam lag te zwalpen. (Paul Snoek: Verzameld scheppend proza. 1984)
• ...maar Sibylle beklom ik nog wel van tijd tot tijd. (W.F. Hermans: De laatste roker. 1991, blz. 264)
• Plichtmatig beklimt hij haar, zijn geslacht als halfgerezen deeg. (Tessa Leuwsha: De Parbo-blues. 2005)
• Ik was naakt en ik beklom haar. (Adriaan van Dis: Ik kom terug. 2014)
• Daarin kroop de koningin en de zeestier beklom haar. Uit hun vrijage werd een monsterlijk wezen geboren, half een man en half een stier, dat zich voedde met mensen. (Imme Dros: Griekse mythen. 2014)
• In Griekenland heb ik ooit bijna twee uur lang net gedaan alsof ik een kruiswoordraadsel oploste, terwijl er tien meter naast me, op een verder verlaten strand, een man en een vrouw elkaar onafgebroken schreeuwend en gillend beklommen. (Nico Dijkshoorn: Alles & niets. 2017)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend