1) (1914) (Barg.) (meestal meervoud) rechter. Ook wel: gebeft gajes.
• Toe komp de bef:... Bi je getrouwd? (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 2: Van Nes en Zeedijk. 1914)
• 't Ging er dus om, dat de beffe aan het twijfele raakte en het niet goed meer zoue aandurve, om maar strootjes te trekke of hol en bol te gooie. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
• Nee, praten met de beffen, dat's gekkewerk! (Willem van Iependaal: Lord Zeepsop. 1937)
• En niemand die hem aanpakte. Geen rechtbank en geen feestcommissie! Geen bef stak een klauw uit om een einde te maken aan het liederlijk schandaal! (Willem van Iependaal: Cantelhoven's Ereprijs. 1941)
• Je moet de beffen die lol niet gunnen. (Willem van Iependaal: Onder de pannen. 1952)
• O, als ik kon betalen Met de gaten in m'n hemd, Dan had ik nooit de dienders En de beffen zo ontstemd. (Willem van Iependaal: Volkstaal en volkshumor. 1956)
2) (1510) (thans vnl. lesbotaal) vrouwelijk geslachtsdeel. Vgl. Duits Beff (vulva) en Beffchen (schaamlippen). Kiliaen omschreef bef als pelsmantel, muts en in die zin zou men kunnen denken aan een verwijzing naar de beharing. In de zin van 'vrouwelijk geslachtsdeel' komt het woord al voor in het 'Liber Vagatorum' uit de 16e eeuw. 'De bef en het breiwerk blijven achter in de mond': over seksuele zaken praat je niet.
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (Hanneke Kunst en Xandra Schutte: Lesbiaans, Lexicon van de Lesbotaal. 1991)
• Bef, vrouwelijk geslachtsdeel (Amsterdam), muil, mond (Sint-Niklaas). (Paul Van Hauwermeiren: Bargoens zakwoordenboek. 2011)
• Bef: vrouwelijk geslachtsdeel. (Freddy Michiels: Het Groot Sinjorenboek. Woordenlijst Antwerpse taal. 2006)
• Voordat ik het bijpassende broekje aandoe, was ik even mijn befje, droog mijn kutje met een handdoek en wankel op mijn benen terwijl ik het broekje aantrek. (Lotte Hendrickx: Seks, een en al seks. 2019)
3) (1991) (jeugd) (vaak voorafgegaan door 'vette') erg vervelend, rot.
• (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991)
4) (1990+) (stud.) uitroep van verbazing.
• Bef, uitroep van verbazing; ook: kutjebef! (Albert Gillissen & Paul Olden: Het eerste Nederlandse Studentenwoordenboek. 2de druk 1994)
• Bef! / Kutjebef! uitroep van verbazing. (https://yoo.rs/studententaal-by-lissa, 27/08/2015)
5) (Vlaanderen, inf.) praatgrage vrouw.
• Bef: Zuid-Nederlandsch. Praatgrage vrouw. JR XXVII 5-6-41. (Casper van de Ven: De Brabantse spot- en scheldnamen. 2013)