Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 08-04-2020

beetje boel

betekenis & definitie

(1965) (oorspr. kindertaal, daarna inf.) vorm van zelfcorrectie: je zegt wel een 'beetje' maar je bedoelt veel.

• Pastoor: Dus toch wel 'n béétje ruzie? Moeke: Laat 'k maar niet jokken: 'n beetje boel. (Herman Heijermans: Toneelwerken. 1965)
• Ik voelde opeens dat ik werkelijk veel te veel wijn op had en, misschien door de frisse buitenlucht zo opeens, echt een beetje dronken werd. Een beetje boel dronken . . ., dacht ik. (Ger Verrips: Een vrouw alleen. 1975)
• Wij aten samen, hij sliep een beetje en dronk dan thee met ons, ordende zijn beetje boel, dat Miep van te voren meegebracht had en voelde zich al tamelijk thuis. (Daphne Meijer: Levi in de Lage Landen. 1999)
• 'Sorry, is nog bende hier, beetje boel,' verontschuldigt hij zich. (Lisette Jonkman: Glazuur. 2012)
• (Siemon Reker: Dag gezegd hebbend. Taal in politiek Den Haag na 1950. 2019)

< >