Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 08-04-2020

beest

betekenis & definitie

1) (het -) (1960+) bijnaam van Jan Cremer.

• Net als 'Het Beest' dat in de jaren zestig furore zou maken met een onverbiddelijke bestseller, was ook Van Iependaal de man van de spreekwoordelijke twaalf ambachten en dertien ongelukken. (Haagse Post, 26/03/1988)

2) (1980+) (vnl. jeugd) gezegd van personen of zaken die erg goed zijn in hun soort: een beest van een plaat, versterker, film, gitarist enz.

• De Philips FA 960, een `beest' van een versterker. (advertentie in Backstage, januari 1987)
• ... een beest van een hitsingle. (Muziek Expess, oktober 1987)
• ... een beest van een gitarist. (Oor, 17/10/1987)
• Ik moest mijn eerste grote scène spelen, samen met Gijs Scholten van Aschat. Zeg maar gerust een beest van een scène. (HP/ De Tijd, 13/02/1998)
• Rob trainde voor ik hem in Buenos Aires oppikte onder barre omstandigheden op de Hoge Veluwe, op zijn Aprilia RXV 450, “een beest van een tweecilinder fiets met injective”. (Rob Hoogland & Arthur van Amerongen: Het grote foute jongensboek. 2017)

3) (19e eeuw) (biljarten) geluksstoot. Eigenlijk `een stoot waar een luchtje aan zit'. In het studentenslang van begin 20e eeuw noemde men een dergelijke gelukstreffer ook wel een Arabier. Synoniemen zijn: ruiker; stinker(t); ui; zwijn. In het Duits spreekt men over ‘einen Fuchs fangen’ (een vos vangen).

• De bejaarde luitenant ... speelde met de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met „een beest” gesneden door den chirurgijnsleerling. (Nicolaas Beets: Camera Obscura. 1839)
• Een beest maken, bij 't biljarten een slechte stoot maken, maar die toch goed uitvalt. (K. ter Laan: Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen. 1950)

4) (1995) (jeugd) (vaak voorafgegaan door mega) geweldig, prachtig: 'dat is megabeest.'

• De voetballers Clarence Seedorf en Patrick Kluivert zitten met elkaar foto's te bekijken van het VVCS-gala waarop Seedorf tot ‘talent van het jaar’ werd uitgeroepen. Sommige foto's vinden ze prachtig. Maar ze zeggen niet ‘dat is prachtig’. Nee, ze zeggen ‘dat is beest’. Het is niet de eerste keer dat een zelfstandig naamwoord overgaat in een bijvoeglijk naamwoord. ‘Dat is pet’ voor ‘dat is knudde’ is ontstaan uit de pet die, als kledingstuk voor de arbeider, beschouwd werd als iets van weinig waarde. (Onze Taal. Jaargang 64. 1995)
• (Prisma miniwoordenboek 'Drop your lyrics' 2008)

5) (1985) (bridge) goede speler.

• Ook benamingen als "krant" en "piepel" zijn minder vleiend. Het zal wel met de menselijke aard te maken hebben dat er voor goede spelers minder benamingen zijn. Ook al klinkt "beest" niet zo positief, toch wordt er een goede speler mee bedoeld. (Nieuwsblad van het Noorden, 21/06/1985)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.