Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 08-04-2020

2020-04-08

beeld

betekenis & definitie

1) (1980+) (in de uitdrukking: in beeld zijn (komen)) (< Dui. im Bilde sein) (pol.) in de belangstelling staan; aandacht krijgen.

• (Marco Bunge: Politiek Woordenboek. 1985)
• Mijn eerste Tour-ritten raakten al een beetje in de vergetelheid. Nu ben ik weer helemaal in beeld. (de Volkskrant, 20/07/1988)
• Hij haalt daarmee steeds de publiciteit, met het gevolg dat hij veel meer `in beeld' is dan Paulus VI. (Elsevier, 01/02/1992)
• `Ik wil geen tweede Van Traa worden,' reageert Verwilghen fel. De voorzitter van de Nederlandse IRT-commissie die de betrokkenheid van de politie bij drugstransporten onderzocht, is net als zijn Belgische collega een ogenblik prominent in beeld geweest. (HP/De Tijd, 25/04/1997)
• Toch kon je toen al zien waar het heen ging: de brute techniek werd langzaam achter het behang geplakt, terwijl de gebruiker meer in beeld kwam. (NRC Handelsblad, 25/04/1997)
• `Aids' werd door McNeill in 1976 nog niet besproken; deze ziekte kwam pas enkele jaren later in beeld. (Vrij Nederland, 21/06/1997)
• D'66 komt in beeld met de gezondheidszorg... (NRC Handelsblad, 17/04/1998)

2) (1980+) (in de uitdrukking: uit beeld raken) (oorspr. pol.) uit de belangstelling raken.

• (Marco Bunge: Politiek Woordenboek. 1985)
• Ook bij Oranje raakte hij uit beeld. (Nieuwe Revu, 03/12/1997)
• Goeie trainers kunnen ook uit beeld raken. (Elsevier, 03/01/1998)
• Navraag leert dat Hillis domweg te veel “uit beeld” is om als target te kunnen worden gevolgd. (Vico Olling & Martijn Haas: De kouwe ouwe. 2017)