Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 05-07-2023

bedonderen

betekenis & definitie

(19e eeuw) (inf.) bedriegen; voor de gek houden. Eigenlijk: door de donder iemand van zijn stuk brengen. Syn.: bebliksemen*; bedonderstralen*; beduvelen*; befazelen*; beflikken*; belatafelen*; belazeren*; belazerstralen*; bemieteren*; besausnegeren*; beschwindelen*; beseibelen*; besjoemelen*; besodemieteren*; betoeteren* enz.

Lul door! Lul door! Laat je niet bedonderen! (Johannes Kneppelhout: Studentenleven. 1841-1844)
• Je staat me te bedondere!... schreeuwde hij. (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet.1922)
• (K. ter Laan: Nieuw Groninger Woordenboek 1924-1929)
• Dacht je soms dat ik niet merkte hoe je me bedonderde, jij met je mooie smoesjes, met je agitprop troep? (Jef Last: Een huis zonder vensters. 1935)
• ‘Zit je me te bedonderen, - pats - je mot tegelijk met ons meelezen.’ (Aegidius W. Timmerman: Tim's herinneringen. 1938)
• Sta je me te bedonderen, Klaas?! (Willem van Iependaal: Gegist bestek. 1947)
• Het spijt me dat ze je bedonderd heeft; maar denk maar dat ze daarmee je leven heeft gered. (Jan de Hartog: Gods Geuzen. 1947-1949)
• Lekkere jongens! Als je daarmee in zee gaat, is het: bedonderen of bedonderd wórden... (Johan Fabricius: Luie stoel. 1957)
• En zoals je hier de staat met de belastingen bedonderen kunt, kun je het nergens… (Johan Fabricius: Dag, Leidseplein. 1965)
• Hij wist dat ik de zaak zat te bedonderen... (Simon Carmiggelt: Mijn moeder had gelijk. 1969)
• Sta mij nou niet te bedonderen! (Maurits Mok: Dorp in de branding. 1975)
• En wat, als jullie me nou toch bedonderen, hè? (Theun de Vries: De vogels en het erf. 1978)
• Jezus Christus wat ben ik bedonderd. Voel me bedonderd en werd bedonderd. (Renate Rubinstein: Niets te verliezen en toch bang. 1978)
• 'Voel je je nu niet bedonderd?' vroeg Grijpstra. (Janwillem van de Wetering: Het lijk in de Haarlemmerhouttuinen. 1979)
• Als je iemand wilt bedonderen, Strohalm die je bent, dan moet je opdonderen! (Harry Mulisch: Archibald Strohalm. 1951. 10e druk 1980)
• Het dronken gevoel maakte plaats voor scherp inzicht, razernij op alles en iedereen die haar belazerd, bedonderd, verneukt had. (Marjan Berk: Een blonde rat. 1985)
• Ook is ze echt trots wanneer ze een leverancier heeft bedonderd. (Margaretha Ferguson: Brief aan niemand. Dagboekfragmenten 1948-1984. Gepubl. 1985)
• Ik heb gehoord dat die meid in Venlo zwanger is van mijn vent. Dat wicht krab ik nog eens de ogen uit. Hij moet me al lang met haar hebben bedonderd. (Ton van Reen: Roomse meisjes. 1990)
• bedondr'n: bedriegen, voor de gek houden. (Fred S. Loen: Petjoh. Indisch woordenboek. 1994)
• (Richard Cress: Petjoh. Woorden en wetenswaardigheden uit het Indische verleden. 1998)
• En Heideggers vrouw – die wil je ook niet wezen. Tot aan zijn tachtigste (!) bedonderde Heidegger haar met fraaie jonge studenten. (Stine Jensen: Het broekpak van Olivia Newton John. 2011)