1) (20e eeuw) (spot.) deftig opgezet persoon.
• Baron/beron: Strak-deftig gezet persoon. Op depreciatie van uitheemse woorden langs deze weg is gewezen door C. B. van Haeringen op blz.8 van zijn Ironie in Woordbetekenis. Dezelfde waarde als beron heeft in ons dialect een woord als gouverneur (verouderde benaming voor Commissaris der Koningin) als bijnaam voor een zeker persoon. DB 73/729 Zie Gouverneur. (Casper van de Ven: De Brabantse spot- en scheldnamen. 2013)
2) (19e eeuw) (Brugge) 25 kg kolen.
• Baron, ml. Bij de kooldragers te Brugge is een baron eene hoeveelheid van 25 kilogr. kolen. (Taco H. de Beer: Onze volkstaal. 1882-1890)
3) (19e eeuw) (Barg.) weefgetouw.
• baron, weefgetouw. oúm bol fokten op zijnen baron en sniekte ‘je man sprong op z'n getouw en weefde’ (J.G.M. Moormann: De Geheimtalen. Bronnenboek. 1932)