Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 27-08-2023

bangschijter

betekenis & definitie

(19e eeuw) (ook: bangeschijter) (scheldw.) iemand die erg bang is. Zie ook: bangebroek* en bangkakker*.

• (G.J. Boekenoogen: De Zaansche volkstaal. 1897)
• (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. 1899)
• ‘Malligheid,’ zei Ant, beslist, ‘je mot er geen bangschieter van maken… (Margo Scharten-Antink: Sprotje. 1905)
• Bangschijter! bromde Kees, nog altijd sakkerend. (Georges Eekhoud: Kees Doorik of een bloedig half-vasten. 1919)
• Baangschieter(d) = I°. durfniet. 2°. schertsend: een worst in de soep. (K. ter Laan: Nieuw Groninger Woordenboek 1924-1929)
• Stoef zo moar nie, jongeske. Ik weet ommes al lang a' g' een bangschijter zijt! (A.M. de Jong: Merijntje Gijzen’s jeugd. 1926)
• (G. Karsten: Het dialect van Drechterland. 1931-1934)
• Ze zag de schrik voor wat haar zo aantrok in de ogen van andere kinderen, als ze huiverend en halfluid navertelden, wat ze ervan gehoord hadden, en moest er stilletjes om lachen. De bangschijters! (A.M. de Jong: Het geslacht Verhagen. 1956)
• (T. van Veen: Taal en leven in de Utrechtse Vechtstreek. 1989)
• Eine sjalevaeger zal meestal geine bangesjieter zijn. Soms wel eine gifsjieter. Mooie woorden. Ik noem voor bangerik nog sjiethoes en sjiet-in-de-bóks. (Wim Kuipers: Letterbak. Moeles van de sjalevaeger. 1999)
• Ik als de bliksem wat spullen bij elkaar rapen en naar Leeuwarden, vandaar naar Assen getransporteerd. Werd als oud vuil behandeld, ik was een laffe verrader, een bangeschijter, matennaaier. (Hylke Speerstra: Op klompen door de dessa. Indiëgangers vertellen. 2015)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend