(1977) (< Eng. bag, zak) (gezegd van kleding) loshangend (als een zak), uitgerekt, te groot; slobberig. In het Engelse taalgebied voor het eerst opgetekend in 1808. ‘Baggy broeken of shorts’. Dergelijke broeken of shorts zijn meestal erg comfortabel.
• De rok is in de genaamde 'baggy-look' uitgevoerd en er is een wollen tweed voor gebruikt. (Nieuwsblad van het Noorden, 09/06/1977)
• Daarbij de nieuwste „baggy" jeans van puur katoen. (advertentie in Het Parool, 12/04/1983)
• De boxershort, ooit door Europeanen beschouwd als de komische onderbroek uit slapstick-films, werd mede door de inmiddels veel gesignaleerde baggy-surfbroek erg populair. (Het Belang van Limburg, 13/12/1994)
• Snelheid op wielen. Maar dan zonder motor. Dat moet het zo ongeveer zijn wat een skater tussen zijn oren heeft. Op een plank kruip je niet in een strakke jeans of een Britse outfit. Om je evenwicht te bewaren moet je je een beetje kunnen bewegen. Vandaar de baggy kleren waar skaters in rondrijden. (Het Belang van Limburg, 08/11/1995)
• Ook Sunshine gooit het dit seizoen over de klassieke boeg en grijpt daarvoor vooral naar de Schotse of houthakkersruit in herfsttinten. De modellen zijn heel vlot : halflange hemden die boven de broek gedragen worden, polarfleece truien, mouwloze vesten, ruimzittende "baseball"-jassen en "baggy"-regenbroeken. (Knack, 04/12/1996)
• We dragen baggy-pants en Timberland-shoes. (Gazet van Antwerpen, 27/05/1997)
• Eén tendens is alvast duidelijk: de donkerblauwe, ongewassen denim is weer helemaal in. Tweede conclusie: jeansfabrikanten pikken ideetjes van de straatmode van de skaters, en brengen bijna allemaal baggy modellen op de markt, met lekker veel zakken. (De Standaard, 08/08/1998)