Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 12-04-2023

baaivanger

betekenis & definitie

1) (19e eeuw) (iron. slecht schaatser, krabbelaar. Oorspronkelijk werd het woord in schaatskringen gebruikt voor een zwierig schaatsrijder, een kampioen, de beste van allen. Gaandeweg kreeg ‘baaivanger’ een wat negatieve bijklank: schaatser die -om te imponeren- veel gaat zwieren en met de handen zwaaien, vandaar: ijdeltuit; bluffer, opschepper. Onder matrozen is het ook een benaming voor een ruwe matroos of zwierbol. Iemand die veel beweging maakt wordt wel eens aanzien voor een dronkaard.

• Het is een baaivanger. (P.J. Harrebomée: Speeekwoordenboek der Nederlandsche Taal. 3 dln. Utrecht, 1858-'70)
• baaivanger, boaivanger; een jongen die er wezen durft, een haantje de voorste. (v. Dale: baaivangen = sierlijk schaatsenrijden; baaivanger = een vlug en sierlijk schaatsenrijder; ook: groenlandsvaarder; v. Lennep: baaivanger = zwierbol, doordraaier; Oostfr. baaifanger = twistziek mensch, ruziemaker.) (H. Molema: Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de 19de eeuw. 1895)
• Baalvanger, slecht schaatsenrijder, die veel beweging maakt, vroeger ook een dronken man en een zwaaiende vlieger, soms „schoonrijder," Zie: Fleuren. Bij de zeelui bolk-, of wolk- of baaivanger, 1°. een kleedingstuk; 2°. een zwierbol. In dit 2e ligt ironisch de verklaring van een krabbelaar, die niet zwiert. 3°oudtijds een Groenlandsvaarder. (Taco De Beer & Dr. E. Laurillard: Woordenschat. 1899)
• baoivanger, baaivanger (Zweeloo, Emmen, Borger, Gasselte, Weerdinge); beivanger (Elp); baoiganger (Valte); baalvanger (Hoogeveen); baneveger (Ruinen) 1° iemand die er wezen durft, vooral van kinderen gezegd. 2°. Te Gasselte baoiv. = molvanger (zie ald.). (J. Bersma: Woordenboek, bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen. 1906)
• Baaivanger: met veel zwier schaatsenrijden. Oorspronkelijk was 'baaivanger' de naam van een kledingstuk — vermoedelijk met baai gevoerd (een grove wollen stof) — dat vooral werd gedragen door zeelui. In liter tijd ging het 'ruw matroos, zwierbol, doordraaier' betekenen en nog weer later kreeg het de betekenis van schaatsenrijder. Het woord verdween in de eerste helft van deze eeuw. (het Vrije Volk, 27/11/1989)
• Vóór 1960 kon je in ieder Nederlands woordenboek lezen wat nu nog in de dikke Van Dale staat: baaivangen is ‘vlug en zwierig schaatsenrijden’. Alleen in de onbepaalde wijs, zo wordt en werd er nadrukkelijk bij vermeld, wat overigens door Kees de jongen(waarin ook baaivangend voorkomt) en nu dus ook (zetfoutje daargelaten) door het dagblad Trouw gelogenstraft wordt. Thijssen schrijft dat Kees ‘deze baaivangerij’ op school binnenbracht. Nu is iemand die aan baaivangerij doet uiteraard ‘een baaivanger’, maar het aardige is dat een baaivanger méér is dan iemand die vlug en zwierig schaatsenrijdt. Wie tijdens het schaatsen gaat zwieren en met zijn armen zwaaien, doet dat meestal om te imponeren: kijk mij eens schaatsen! En boem, daar ligt-ie, door zijn eigen ijdelheid uit balans gebracht. Vandaar dat het woord baaivanger al gauw een ironische bijbetekenis kreeg: iemand die juist níet goed kan schaatsen, een krabbelaar, en ook: een opschepper, snoever. (Onze Taal. Jaargang 64. 1995)

2) (Westfries) kwaadaardig manwijf.

• Baaievanger, znw. de Fig. voor kwaadaardig manwijf. (J. Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)
• ... krakeelachtig, krakeelziek, een krakelig wijf, baaivanger... (Mien Doddema-Winsemius, Boele de Raad: Idioticon van de persoonlijkheid. 1997)

3) (17e eeuw) (zeem.) soort kledingstuk voor zeelui, ook wel bolkvanger* genoemd. Overdrachtelijk ook voor: ruw matroos, zwierbol.

• Een bolkvanger is een kleed van duffel, prezenning of andere stoffe, geschikt om een bui (bolk) af te keeren, en 't zelfde als men thans een ,,baaivanger” of ,,wolkvanger” zou noemen. (Joost van den Vondel: De werken van. 1625)
• baaivanger, z.n.m. – Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte baaivanger (een doordraaier). Men plach ook den naam van baaivanger aan een hooggetuigd schip te geven. (Jacob van Lennep: Zeemans-woordenboek. 1856)
• baoivanger, baaivanger (Zweeloo, Emmen, Borger. Gasselte, Weerdinge; beivanger (Elp); baoiganger (Valte): baalvanger. (J. Bergsma: Woordenboek, bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen. 1906)
• Bolkvangers, (baaivanger, wolkvanger, 'n zeemans jas van baai gemaakt). (Kaapse archiefstukken. 1927)

4) (18e eeuw) (scheldw.) verwaande windbuil.

• 't Is een baaivanger. Dit zegt men van een verwaanden windbuil. Zoude dit niet verbastert zyn van baarvanger, of beervanger, uit de geestige Fabel van die twee, welke de beerenhuid verkochten, eer zy het dier gevangen hadden. (Carolus Tuinman: De oorsprong en uitleg van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal. Deel I. 1726)

< >