Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 07-01-2021

Amsterdammer

betekenis & definitie

1. (1951) (Rotterdam, havenarb.) slechte hijs; hijs (ladinggedeelte) die uit de strop valt. In het Bargoens ook wel: Mokumer*.

• Hij moet in één oogopslag kunnen zien of ze beneden „in de put" een „Amsterdammer" hebben gemaakt (dat is. een slechte lus, een gevaarlijke stapeling) en dan laat hij die netjes overmaken. De putgasten vinden dat niet zo bar lollig, want het betekent vijf minuten minder „blaas" voor ze.... (Het vrije volk, 07/02/1951)
• Een Amsterdammer is een „slechte hijs" waar een baal of een zak valt, die noemen ze in de Amsterdamse haven misschien wel een Rotterdammer.). (Het vrije volk, 14/11/1953)
• A is een „Amsterdammer", die valt uit de stroppen, en pas dan op voor onze koppen. (Het vrije volk, 29/11/1962)
• Een „Amsterdammer" noemt men in de haven een hijs, die uit een strop valt. ln de Amsterdamse haven wordt zulk een hijs een „Rotterdammer" genoemd. (J. van Rhijn: Rotterdam van A tot Z. 1970)
• Voor het werk zijn er o.a. de volgende vaktermen: Een Amsterdammer of Mokummer Een slechte hijs. (NRC Handelsblad, 10/10/1970)
• ‘Vliegende Amsterdammer’ is een plaagstoot van de Rotterdamse havenarbeiders als zij het werk van hun Amsterdamse collega’s typeren. Een "Amsterdammer” is een hijs goederen, die uit elkaar valt. Als zoiets dan ook nog hoog in de lucht gebeurt..... Vandaar. (Algemeen Dagblad, 07/03/1972)
• Amsterdammer: hijs die uit de strop valt. (Jan Oudenaarden: De terugkeer van Opoe Herfst. 1986)
• Een enkele maal klapt een hijs dubbel en zeilen 30 maal 70 kilo retour. Een Amsterdammertje noemen ze zo'n fiasco in Rotterdam. Een Rotterdammetje heet het uiteraard in de Amsterdamse haven. (Nieuwe Revu, 03/05/1990)
• Amsterdammer (znw m) In de Rotterdamse haven wordt deze term gebruikt voor verschillende zaken. Het is de naam voor de opkorting in het touw waar-mee de hap uit het ruim omhoog moet. Ook is een Amsterdammer een hijs-vracht die uit de strop valt. De schade daarvan kan enorm zijn: het is hier dus geen positief begrip. (de Groene Amsterdammer, 24/08/1994)

2. (1977) (meestal verkleinvorm) klein sleepbootje dat onder bruggen kan doorvaren.

• T.k. Amsterdammertje (sleepbootje) (advertentie in Het vrije volk, 01/06/1978)
• T.k. weg. sterfgeval goed onderhouden sleepbootje (Amsterdammertje). (advertentie in Trouw, 23/05/1981)
• Maar het Amsterdammertje dat onze disgenoot bij het jaarlijks havendiner in Krasnapolsky bedoelde bleek iets heel anders te zijn. Dat is, vertelde ons S. M. van Ruiten, een sleepbootje met een diepgang van zo'n één meter zestig, maar met een lage opbouw om onder bruggen door te varen. Hij heeft zo'n Amsterdammertje gekocht, bouwjaar 1904, de stoommachine was er al uit maar het 'hokkie' stond er nog op. (NRC Handelsblad, 12/12/1986)
• De bemanning van een rondtoerende 'Amsterdammer' -een type sleepboot dat speciaal gemaakt is voor de Amsterdamse grachten met hun lage bruggen vertelt enthousiast over de festiviteiten. (het Parool, 11/05/1991)
• De Keyzerspieghel is zo'n uitzondering. Het 'Amsterdammertje' meet bijna vijf-tien meter. Het model stamt uit de jaren dertig en diende eens als bevoorradingsschip. (Elsevier, 17/06/1995)

3. (1974) (steeds verkleinvorm) trottoirpaal; metalen paaltje op de stoep, bedoeld om het parkeren op het trottoir tegen te gaan. Begin jaren zeventig van de twintigste eeuw werden de eerste amsterdammertjes, toen nog van gietijzer, door de gemeente Amsterdam geplaatst. Met de jaren verschenen ze ook in het straatbeeld van andere steden: onder een andere naam, geverfd in een andere kleur en meestal voorzien van het stadswapen. Het echte Amsterdammertje heeft drie andreaskruisjes. Nico Scheepmaker maakte er ooit een gedicht over. Zie ook hagenaartje*. In Antwerpen kende men in de periode 1983-1994 de 'bobkes', straatpaaltjes ontworpen om dezelfde reden. Ver-noemd naar de toenmalige burgemeester Bob Cools.

• Amsterdammer. Wordt tegenwoordig veel gebruikt op hoofdstedelijke trottoirs om auto's het rijden/ parkeren daar te verhinderen. (Battus. De Encyclopedie. 1978)
• Er zijn er nu dus zo'n 40.000, dus ongeveer 1 Amsterdammertje op 14 Am-sterdammers, en zij maken de grachten onveiliger dan de junkies. (Leeuwar-der Courant, 16/01/1980)
• De palitis heeft hier ernstig om zich heen gegrepen. Overal hebben we een `amsterdammertje' omheen gezet, om iets te bevorderen of juist tegen te gaan. (Jos Brink: Stukje voor stukje, 1985)
• Ondanks een woud van Amsterdammertjes zijn de verkeersaders van de Amsterdamse binnenstad volkomen dichtgeslibd. (A.C. Baantjer: De Cock en een dodelijke dreiging, 1988)
• Ik heb tijdenlang gezegd dat ik een `Amsterdammertje' was, totdat iemand me beleefd uitlegde dat dat geen inwoner van de hoofdstad is, maar zo'n klein paaltje. (Avenue, oktober 1991)
• De Amsterdammertjes zijn allemaal scheefgezakt. (Nelleke Noordervliet: Uit het paradijs. 1997)
• Amsterdammertjes…. Ze schieten als drakentanden uit de grond. (A.C. Baantjer: De Cock en het lijk op drift. 1998)
• ‘Dat vind ik nu eens een strak plan’, en zo gebeurde het dat ik met een Amsterdammertje huiswaarts keerde. En dat voor een Hagenees! (Frans van Es: Who the fuck is Frans van Es? Een greep uit het leven van een marineduiker. 2002)
• Ze slalomt behendig tussen de kratten en amsterdammertjes door, de mannen merken haar nauwelijks op. (Yasmina Aboutaleb: Dit maak je nooit meer mee. 2016)
• Een Citroën DS ging te strak de hoek om naar de Passeerdersgracht en de pikvormige Amsterdammertjes bij de stoeprand ramden de hele zijkant. (Mensje van Keulen: Neerslag van een huwelijk. Dagboek 1977-1979. 2018)

4. (1917) (steeds verkleinvorm) gratis verstrekte borrel (of in zeldzame gevallen: vaasje bier zonder goudrandje), want laatste druppels uit de fles; bodempje. Ook wel 'flessengeluk' genoemd. In andere steden het 'rotterdammertje' of het 'schiedammertje' genoemd.

• Thuis gekomen en achter de blaker door het magazijn gegaan, schurkte hij van de slaap... 'Heb je een Amsterdammertje meegebracht, hi-hi!' vroeg tante. Jaapje verstond niet wat hem werd gevraagd, 's avonds was het raarder nog dan overdag, dan hing er over de kooi een witte doek; er waren nog twee vreemde heeren ook, ze speelden kaart met oome, dicht bij de siffonjerre, waar nóg een lampje brandde. (Jac. Van Looy: Jaapje. 1917)
• Amsterdammertje (volkstaal) borrel. (Johanna van Reeuwijk: Groot Nederlands Drankwoordenboek. 1984)
• Maar de fles bleek eerder leeg dan het kelkje vol was. 'Stik, een Amsterdammertje,' zei de man, enigzins beteuterd. (A. F. Th. van der Heijden: Advocaat van de hanen. 1988)
• Amsterdammertje (znw o). Laatste, onvolledige, borrel uit de jeneverfles. Dit restje mag gratis worden opgedronken vóór de barman een nieuwe fles heeft geopend, de tuit erop en de borrel heeft bijgevuld. Het is dan ook traditie het Amsterdammertje in één teug weg te klokken. 'Het wel of niet schenken van een Amsterdammertje blijft een soepel, vriendelijk gevecht tussen de klant en de kastelein. Het heeft zich ontwikkeld tot een soort gimmick onder de oude kroegtypes', zegt kroegspecialist Ben ten Holler. 'Het zijn de fervente borrel-aars die daar oog voor hebben: die zitten met een aantal mensen aan de jene-ver en vroeg of laat komt er dan een Amsterdammertje bovendrijven. Het gekke is dat het alleen voor jenever geldt. Met ander gedestilleerd kan het wel bij wijze van grap gebeuren maar het is geen gewoonte.' Buiten de hoofdstad noemt men een dergelijk bodempje een kasteleintje, in Rotterdam een Rotterdammertje of men kent het gebruik simpelweg niet. Volgens Johan van café De Sneer (ook wel In de Vergulde Zweetsok) is de echte traditie verdwenen met de intrede van de glazen jeneverfles: 'Oorspronkelijk waren jeneverflessen van keramiek. Dan kon je dus niet zien hoe veel er nog in zat. Nu kan je hem aan zien komen, toen was het een gelukstreffer.' (de Groene Amsterdammer, 24/08/1994)
• 'Doet u mij ook maar een pilsje, een Amsterdammertje graag,' zegt Niek. (Ed van Eeden: Dossier jeugdbende. 2000)
• Als de kastelein de fles leegschenkt en je glas is nog niet vol, mag je het gauw leegdrinken, terwijl hij een nieuwe fles openschroeft. Dat heet een Amsterdammertje. (Yvonne Kroonenberg: Meneer als ik u zie heb ik zo'n zin in ruzie. 2001)
• Een groot glas bier wordt door de meeste Nederlanders 'een Amsterdammertje' genoemd. Maar juist de Amsterdammers zegt die term niets; daar noemen ze dat 'een vaasje'. (Alvin C Burns, Ronald F. Bush: Principes van marktonderzoek: toepassingen met SPSS. 2006)
• Aan de bar bestel ik een vaasje. ‘Een Amsterdammertje?’ vraagt de barman. Die brouwerij ken ik niet, maar het lijkt me prima. (Michiel Eijsbouts: Ijsvrij. 2015)
• We stonden we tijdens het Festival eens aan een bar in Cannes toen de barkeeper een Amsterdammertje schonk. “C’est un Amsterdammertje,” riep Joop en in een teug dronk hij zijn glas leeg. De barkeeper kende het fenomeen niet, zo bleek, en het had geen naam, maar hij onderging het als het weer. (Het Parool, 20/06/2018)

5. (1967) houten hangklok met lange slinger.

• De staartklokken zijn al vóór 1800 gemaakt. Het type gaat terug op het uit omstreeks 1750 daterende Amsterdammertje: kenmerkend is de lange slinger. (Leeuwarder Courant, 20/03/1968)
• Amsterdammertje (znw o) Houten hangklok met een lange slinger. Deze wandklokken worden gemaakt sinds 1700. (de Groene Amsterdammer, 24/08/1994)