Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 21-09-2021

ajuin

betekenis & definitie

1. (19e eeuw) (Vlaanderen) (scheldw.) in bepaalde streken voor domkop; soms ook voor iemand die snel huilt, huilebalk. Ajuin is een Vlaams woord voor ui.

• Ajuin: waardeloos man (A.) Fr.: Fi donc Voignon, vous tentet la ciboule. (A. De Cock: Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk. 1911)
• Van danige alteratie stiet hij de pint en het fleske van zijn tafel en begon, de flauwe ajuin, te huilen. (Maria Vermeyen: Moeders oudste meisje. 1947)
• Ging per ongeluk in een hondedrol zitten. Mijn overalltje besmeurd. Rukken. Stommerik! Ajuin! (Jef Geeraerts: Gangreen 3. Het teken van de hond. 1975)
• Arjuin: ui, ajuin. Scheldwoord voor lomperd: gij-sen-arjuin! (Jack de Graef: Het Antwerps Dialect van dezekestijd tot in de 21e eeuw. 1999)
• Ajuin, 1) ui, 2) lomperik. (Tony Rombouts & Bert Bevers: Antwaarps Nederlands Woordenboek. Vierde herziene druk. 2006)

2. (1904) (inf.) plat horloge. Vgl. Fr. oignon. Andere inf. benamingen: boterklokkie*; goudvink*; Gouwenaar*; kijkijzer*; klokje*; klokkement*; knol*; monterik*; oksenaar*; raap*; rot*; slang*; tik*; tikker*; zwiebel*.

• Ajuin. Spotnaam, op een slecht uurwerk. (Amaat Joos: Waasch Idioticon. 1904)
• Wanneer we buiten do gewone uurwerken gaan, vinden we nog de oudere knolhorloges (ajuin) met bunnen ketting, ... (Biekorf. Volume 17. 1906)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984) p. 420
• (Tony R. De Bruyne: Soldatentaal 1914-1918. 1994) p. 332

3. (1984) (plat) (steeds meerv.) teelbal, testikel. Talrijke syn. in de volkstaal (steeds meervoud): aardappelen*; ballen*; bergamotten*; bolleketten*; bollewietjes*; bonkjes*; cimbalen*; dadels*; dardanellen*; eieren*; fernotten*; granaten*; harige* Harry's; Henk* Jannen; japies*; kamers*; kapelaantjes*; kiwi's*; klijsters*; klissen*; klokken*; kloten*; knikkers*; kogels*; kokosnoten*; krootjes*; laaghangers*; losse* medewerkers; maggies*; marbels*; mispels*; noten*; okkernoten*; pepernoten*; piepers*; tweelingen*.

• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• (Ewoud Sanders: Pruimen op sap. 2017)

4. (1965) (Brussel, Barg.) politieagent. Slechts enkele syn. uit de volkstaal: adje*; adoot*; blauwe* mogge; blauwpijper*; blikhoed*; bout*; chanterik*; dekkel*; flik*; glimjas*; glimworm*; grandiger*; hoed*; juut*; kip* (zonder eieren); klabak*; koperen* bout; latkip*; luis*; luizenvanger*; pandoer*; smeris*.

• De ouderen hebben het ABN niet op school geleerd en geven de voorkeur aan het Frans boven hun Brussels dialect, dat wij trouwens slechts met moeite kunnen verstaan. Het is doorspekt met Franse en Spaanse woorden, waarvan amigo voor gevangenis wel het meest raadselachtige is. In de duistere buurten van de binnenstad is het bovendien verlevendigd met bargoens. Een agent heet een „ajuin" (ui), franken worden „ballekes" genoemd, de „ballekens van de gieze" (van een vrouw) zijn echter weer iets heel anders. ,,Bienen" is hard-lopen, een „biener" een paard of een rat. Een „bollerik" is een tram of auto, een ,,bollerik van den ijzer" een trein, een ,,bollerik van de bokse" (gevangenis) een arrestantenwagen. Een ,,kïet" is altijd een gebouw, de „lierkiet" dus een school, een „droaiekiet" een danszaal, een ,,droaier vui te flikkeren" een draai-orgel, wat wel iets met ons kuiteflikker te maken zal hebben. Een „flikker" al-leen is overigens een vervalst schilderij. (Algemeen Handelsblad, 01/09/1965)
• (Herman J. Claeys: Vlaams Dialecten woordenboek. 2001)