1. (1914) (sold.) schot dat het doel mist. De term wordt ook in de voetbalsport gebruikt m.b.t. een bal.
• Afzwaaier: schot, dat niet in de schijf zit. De naam komt hiervandaan, dat er met een rood vlaggetje uit den kuil gezwaaid wordt. (Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)
• Vooreerst enkele meer technische termen: „Orders loopen", het rondgaan met het orders-cahier bij het daarvoor in aanmerking komend kader. „Afzwaaien", het heen en weer zwaaien met de vlag bij 'n schietoefening, wanneer de schut-ter de schijf niet getroffen heeft. Een „afzwaaier" is dus een misser. (Van onzen tijd, jrg 18, 1917/1918, no 33)
• Afzwaaier, poedel: kogel die naast de schijf terecht komt. (Paul Guermonprez: Praatjes en plaatjes van de soldaatjes. 1939)
• Haast in ieder boek zitten drukfouten, maar in dit werk over vuurwapens is het aantal ‘afzwaaiers’ wel wat erg groot. (Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 91. 1976)
• (Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978)
• ... het grote aantal 'afzwaaiers' dat de kogelvangers mist... (de Volkskrant, 22/03/1991)
• De panden waren getroffen door enkele ‘afzwaaiers’, het werkelijke doel betrof de villa ‘Simpang’… (Maarten Barok: Sla op krediet en andere herinneringen. 2018)
• ‘Hij zit erin! Hij zit erin! Moedertje, hij zit erin!’ riep Theo Koomen in extatische vreugde uit, toen een afzwaaier van Wim Jansen doel trof in de wedstrijd Feyenoord-Milaan. (Lex Kroon: Ik lach om niet te huilen. 2021)
2. (1914) (sold.) soldaat die de dienst verlaat.
• Na drie dagen kwam er een psychiater naar de kazerne om de lichting te schif-ten, en kon ik naar de keuring voor afzwaaiers. (Just Enschedé: Rock & Roll Cabaret. Mijn jaren met Bram Vermeulen en Freek de Jonge. 2014)