(19e eeuw) (inf.) klaploper. Kijk ook onder afzuipen*.
• (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. 1900)
• Als de ridder veel gedronken had, brachten zijn vrienden afzuipers hem naar zijn kasteel. (Felix Timmermans: Pijp en toebak. 1933)
• Zelfs Teniers was er bij, de oude Rijchaerdt, een heel klad penseelridders en graveurs, gekend en ongekend, natuurlijk met de noodige afzuipers. (Felix Timmermans: Adriaan Brouwer. 1948)
• (Cor en Jos Swanenberg: Eige grèij. ’n Meijerijs woordenboek. 1996)