(1477, vero.) (variant: ade) afscheidsformule. Verbasteringen van het Franse woord 'adieu'. Andere populaire afscheidsformules zijn: addio*; ajuus*; de ballen*; toedeloe*.
• ‘Adé! Misschien voor altijd,’ zuchtte zij nog eenmaal zacht en met vasten tred sloeg zij den weg in naar de stad. (Justus van Maurik: Met z'n achten. Novellen en schetsen. 1883)
• Adie lui, tot straks. (D. Hans: De knalclub van 3A. 1926)
• Maar dienders die dertig gravers feestelijk bijeen zien in een kroeg, zeggen maar liever ‘adé!’ (Herman de Man: Maria en haar timmerman. 1932)
• Ja ja, hij weet het: jongen, Jan, als je niet iets aan die pardoen doet is het adie. (Jan de Hartog: Hollands Glorie. 1940)
• En daarom zeg ik Kattenburg adie. (Jan Mens: Er wacht een haven. 1950)
• "Spaar je adem, Barnett! Vóór jij genoeg geld voor het vliegtuig hebt opgescharreld, zit ik al in Londen. Adie!" (Willy van der Heide: Sensatie op een Engelse vrachtboot. 1950)
• Nou, adie, kop-op! Niet bang zijn! (Philip Mechanicus: Dépot. 1964)
• Snap je het nou nog niet? Adie! (Willy van der Heide: Dick Boei en de Berm-bandieten. 1968)
• Ze rukte zich weer los. ‘Adie!’ zei ze, zich op de lippen bijtend. (Johan Fabrici-us: Het meisje met de blauwe hoed. 1974)