1. (1938) (veemarbeiders) acht. Wellicht vanwege de vorm.
• Dit zeer opvallende eigen telwoordensysteem, zoals dat onder de veemarbeiders in gebruik is, is voor zover mij bekend het enige onderdeel van deze vaktaal, dat al ... 8) aardappel (naar) de vorm, evenals „krakeling“ dat ook gebruikt wordt). (De Nieuwe taalgids, Volumes 32-33. 1938)
• Aardappel: acht, onder andere in gebruik bij de veemarbeiders; misschien vanwege de vorm. (Jan Stroop: Burgerlijk Amsterdams. In: Honderd jaar stadstaal. 1999)
• (Joep Kruijsen & Nicoline van der Sijs: Honderd jaar stadstaal. 1999) p. 109
2. (1927) (scheldw.) dom persoon, sufferd. Vooral onder scholieren gebruikelijk.
Misschien pikten ze het op van het populaire televisieprogramma ‘Zeg ‘ns Aa’. Daarin noemde Mien Dobbelsteen (gespeeld door de actrice Carry Tefsen) haar man vaak een ‘aardappel’ en een ‘boterletter*’. Vgl. Am. slang ‘potatohead’; Fr. patate. In Vlaanderen ook in informeel taalgebruik: ‘onnozele patat, ouwe patat.’ ‘Aardappelkop’ is Zuid-Afrikaans voor een domoor (Taco De Beer & Dr. E. Laurillard: Woordenschat. 1899).
• Ge 'n moogt uit de schole niet klappen, dommen eerdappel! streed het, moe-der 'n weet nog niets van al die triakels en ik 'n kan dat toch niet verhelpen. (Edward Vermeulen: Mietje Mandemakers & Cie. 1927)
• Aardappel: dom persoon. (Kristiaan Laps: Nationaal Scheldwoordenboek. 1984)
• Is ‘Nathan Sid’ een slecht boek? Misschien, want de schrijver is een aardappel. (Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden. 1987)
• Aardappel, superdom figuur: wat een aardappel die Klaas-Jan, heeft ie weer niet in de gaten dat ie in de maling wordt genomen. (Cor Hoppenbrouwers: Jongerentaal. 1991)
• De ‘dikke man’ die het Nederlandse kwaliteitswoord met een ploertendoder te lijf gaat, is naar alle waarschijnlijkheid de voorbode van een nieuw tijdperk dat ook door aardappel Jan Lenferink wordt ingeluid. (Trouw, 08/10/1993)
• (Marnix en Marjan van Lichtenvoorde: Nieuwe woorden van de jaren negentig. 1993)